BWBR0015192
Geldig vanaf 2003-06-20
Artikel 3
Regeling evaluatiecommissie Stichting WeTeN
1. De commissie heeft tot taak een onafhankelijk oordeel te geven over de mate waarin WeTeN effectief en efficiënt is geweest in het bereiken van de beleidsdoelstellingen op het WTC-terrein van wetenschap- en techniekcommunicatie, zoals verwoord in de BBB-nota.
2. Bij de invulling van deze taak formuleert de commissie antwoorden op de volgende vragen:
a. wat is de functie, positie en het imago van WeTeN ten opzichte van de andere spelers in het veld waaronder de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO), de Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), de Vereniging van Universiteiten (VSNU), de Science Centra, de (kleinere) WTC-organisaties en de relevante departementen,
b. in hoeverre hebben de door WeTeN verrichte activiteiten bijgedragen aan het behalen van de in de BBB-nota geformuleerde doelstellingen,
c. in hoeverre hebben de aan WeTeN toegekende functies bijgedragen aan het behalen van de in de BBB-nota geformuleerde doelstellingen,
d. hoe ver is WeTeN met het bereiken van de beleidsdoelstellingen zoals geformuleerd in haar meerjarenplan 2001-2004? Wat is al wel bereikt, wat niet en waarom? De commissie dient hierbij de scores van WeTeN op de vastgestelde monitoringsindicatoren te betrekken. Deze scores dienen afgezet te worden tegen de in 2002 geformuleerde streefwaarden,
e. heeft WeTeN effectief en efficiënt invulling gegeven aan haar activiteiten en functies? Wat is goed gegaan, wat minder en waarom? De commissie dient hierbij ook de scores van WeTeN op de monitoringsindicatoren te betrekken,
f. in hoeverre heeft WeTeN de aanbevelingen uit de evaluatie van 1999 opgepakt?
3. De commissie gebruikt bij de uitvoering van deze taak in ieder geval:
a. de door WeTeN uitgevoerde zelfevaluatie,
b. de voor de functies van WeTeN gedefinieerde outputcriteria.
4. De commissie houdt bij de uitvoering van deze taak rekening met de op grond van bestuurlijke overleggen tussen de minister en WeTeN gemaakte afspraken.
2. Bij de invulling van deze taak formuleert de commissie antwoorden op de volgende vragen:
a. wat is de functie, positie en het imago van WeTeN ten opzichte van de andere spelers in het veld waaronder de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO), de Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), de Vereniging van Universiteiten (VSNU), de Science Centra, de (kleinere) WTC-organisaties en de relevante departementen,
b. in hoeverre hebben de door WeTeN verrichte activiteiten bijgedragen aan het behalen van de in de BBB-nota geformuleerde doelstellingen,
c. in hoeverre hebben de aan WeTeN toegekende functies bijgedragen aan het behalen van de in de BBB-nota geformuleerde doelstellingen,
d. hoe ver is WeTeN met het bereiken van de beleidsdoelstellingen zoals geformuleerd in haar meerjarenplan 2001-2004? Wat is al wel bereikt, wat niet en waarom? De commissie dient hierbij de scores van WeTeN op de vastgestelde monitoringsindicatoren te betrekken. Deze scores dienen afgezet te worden tegen de in 2002 geformuleerde streefwaarden,
e. heeft WeTeN effectief en efficiënt invulling gegeven aan haar activiteiten en functies? Wat is goed gegaan, wat minder en waarom? De commissie dient hierbij ook de scores van WeTeN op de monitoringsindicatoren te betrekken,
f. in hoeverre heeft WeTeN de aanbevelingen uit de evaluatie van 1999 opgepakt?
3. De commissie gebruikt bij de uitvoering van deze taak in ieder geval:
a. de door WeTeN uitgevoerde zelfevaluatie,
b. de voor de functies van WeTeN gedefinieerde outputcriteria.
4. De commissie houdt bij de uitvoering van deze taak rekening met de op grond van bestuurlijke overleggen tussen de minister en WeTeN gemaakte afspraken.