BWBR0014859
Geldig vanaf 2003-04-02
Artikel 5
Sociaal plan voor leraren onderwijs in allochtone levende talen (oalt-leraren)
I. Een oalt-leraar die niet kan voldoen aan de per 1-8-2002 verscherpte kwalificaties voor het verzorgen van taalondersteuning en die ook niet (meer) ingezet kan worden voor het verzorgen van cultuureducatie, kan in aanmerking komen voor loonsuppletie.
II. Partijen zijn het eens over de volgende elementen van een regeling voor loonsuppletie:
a. Een oalt-leraar die, om te voorkomen dat hij werkloos wordt, een betrekking aanvaardt met een lager maximumsalaris dan waar hij in zijn oude dienstbetrekking recht op had, komt in aanmerking voor loonsuppletie.
b. Bij de nieuwe dienstbetrekking wordt ernaar gestreefd een oalt-leraar een betrekkingsomvang te geven die ten minste gelijk is aan die in de oude dienstbetrekking.
c. Loonsuppletie is steeds gerelateerd aan het aantal uren dat iemand in de nieuwe dienstbetrekking is aangesteld.
d. Bij een nieuwe dienstbetrekking kan het gaan om een baan binnen of buiten het onderwijs.
e. Loonsuppletie is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het loon in de nieuwe dienstbetrekking en anderzijds: in de eerste vijf jaar na het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking: de ongemaximeerde berekeningsgrondslag zoals bedoeld in het BBWO;
na die eerste vijf jaar en doorlopend tot het moment van pensionering: 90% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag zoals bedoeld in het BBWO.
in de eerste vijf jaar na het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking: de ongemaximeerde berekeningsgrondslag zoals bedoeld in het BBWO;
na die eerste vijf jaar en doorlopend tot het moment van pensionering: 90% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag zoals bedoeld in het BBWO.
f. Loon in een nieuwe dienstbetrekking wordt geacht niet lager te zijn dan het maximum van schaal 4.
III. De minister van OCenW bevordert de totstandkoming van een (wijziging van een) algemene maatregel van bestuur waarin de onder lid II genoemde elementen nader worden uitgewerkt en voert daarover het gebruikelijke overleg met de werkgeversorganisaties en de centrales.
II. Partijen zijn het eens over de volgende elementen van een regeling voor loonsuppletie:
a. Een oalt-leraar die, om te voorkomen dat hij werkloos wordt, een betrekking aanvaardt met een lager maximumsalaris dan waar hij in zijn oude dienstbetrekking recht op had, komt in aanmerking voor loonsuppletie.
b. Bij de nieuwe dienstbetrekking wordt ernaar gestreefd een oalt-leraar een betrekkingsomvang te geven die ten minste gelijk is aan die in de oude dienstbetrekking.
c. Loonsuppletie is steeds gerelateerd aan het aantal uren dat iemand in de nieuwe dienstbetrekking is aangesteld.
d. Bij een nieuwe dienstbetrekking kan het gaan om een baan binnen of buiten het onderwijs.
e. Loonsuppletie is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het loon in de nieuwe dienstbetrekking en anderzijds: in de eerste vijf jaar na het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking: de ongemaximeerde berekeningsgrondslag zoals bedoeld in het BBWO;
na die eerste vijf jaar en doorlopend tot het moment van pensionering: 90% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag zoals bedoeld in het BBWO.
in de eerste vijf jaar na het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking: de ongemaximeerde berekeningsgrondslag zoals bedoeld in het BBWO;
na die eerste vijf jaar en doorlopend tot het moment van pensionering: 90% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag zoals bedoeld in het BBWO.
f. Loon in een nieuwe dienstbetrekking wordt geacht niet lager te zijn dan het maximum van schaal 4.
III. De minister van OCenW bevordert de totstandkoming van een (wijziging van een) algemene maatregel van bestuur waarin de onder lid II genoemde elementen nader worden uitgewerkt en voert daarover het gebruikelijke overleg met de werkgeversorganisaties en de centrales.