BWBR0014819
Geldig vanaf 2003-03-23
Artikel 5
Regeling subsidies diensten Kenniswijk 2003
1. Er is een Onafhankelijke Toetsingscommissie, nader te noemen OTC, die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van deze regeling.
2. De adviezen van de OTC gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.
3. De OTC bestaat uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste vijf andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de OTC een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.
4. De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
5. De OTC stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. De schriftelijke vaststelling bevat in elk geval bepalingen omtrent:
a. de vergaderfrequentie;
b. de vertrouwelijkheid van de vergaderingen en de uitgebrachte adviezen;
c. het nader toelichten van aanvragen door aanvragers;
d. de wijze waarop de advisering geschiedt.
6. Een lid van de OTC neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag.
7. De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de OTC bij te wonen.
8. In het secretariaat van de OTC wordt door de minister voorzien.
9. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de OTC geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de OTC bewaard in het archief van dat ministerie.
10. De OTC verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
11. De OTC stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van de minister stelt de OTC tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan de minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
2. De adviezen van de OTC gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.
3. De OTC bestaat uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste vijf andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de OTC een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.
4. De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
5. De OTC stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. De schriftelijke vaststelling bevat in elk geval bepalingen omtrent:
a. de vergaderfrequentie;
b. de vertrouwelijkheid van de vergaderingen en de uitgebrachte adviezen;
c. het nader toelichten van aanvragen door aanvragers;
d. de wijze waarop de advisering geschiedt.
6. Een lid van de OTC neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag.
7. De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de OTC bij te wonen.
8. In het secretariaat van de OTC wordt door de minister voorzien.
9. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de OTC geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de OTC bewaard in het archief van dat ministerie.
10. De OTC verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
11. De OTC stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van de minister stelt de OTC tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan de minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.