BWBR0014819
Geldig vanaf 2003-03-23
Artikel 10
Regeling subsidies diensten Kenniswijk 2003
1. De minister beslist in elk geval afwijzend op een aanvraag voor een klein dienstenproject indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. onvoldoende aannemelijk is, dat het project zonder de subsidie naar verwachting niet of met belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd;
c. onvoldoende aannemelijk is dat het project past binnen het doel, genoemd in artikel 2, eerste lid, of het voor desbetreffende kalenderjaar relevante Kenniswijk diensten speerpuntenprogramma;
d. indien het project een onvoldoende experimenteel en innovatief karakter heeft;
e. de maatschappelijke of economische perspectieven van het project onvoldoende zijn onderbouwd;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de financiële haalbaarheid van het project;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat op basis van het projectplan het project naar behoren kan worden uitgevoerd.
2. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. onvoldoende aannemelijk is, dat het project zonder de subsidie naar verwachting niet of met belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd;
c. onvoldoende aannemelijk is dat het project past binnen het doel, genoemd in artikel 2, eerste lid, of het voor desbetreffende kalenderjaar relevante Kenniswijk diensten speerpuntenprogramma;
d. indien het project een onvoldoende experimenteel en innovatief karakter heeft;
e. de maatschappelijke of economische perspectieven van het project onvoldoende zijn onderbouwd;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de financiële haalbaarheid van het project;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat op basis van het projectplan het project naar behoren kan worden uitgevoerd.
2. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.