BWBR0014753
Geldig vanaf 2006-09-08
Artikel 15
Besluit leerlinggebonden financiering
1. Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan dove kinderen, indien op basis van audiologisch onderzoek, zo nodig aangevuld met logopedisch onderzoek of een onderzoek van de behandelend arts, gericht op de vraag of de leerling dooffunctionerend is, is vastgesteld:
a. een gehoorstoornis van 80 decibel of meer bij het beste oor zonder gehoortoestel, of
b. een gehoorstoornis tussen 70 decibel en 80 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel waarbij de leerling kennelijk dooffunctionerend is.
2. Een leerling met een cochleair implantaat is toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, indien is vastgesteld:
a. dat de leerling, met gebruikmaking van het cochleair implantaat dat ten minste twee jaar eerder is aangebracht, kennelijk dooffunctionerend is; en
b. dat er sprake is van een zeer geringe verbale communicatieve redzaamheid, zodanig dat bij de leerling betekenisverlening aan geluid niet of nauwelijks tot stand komt en dat de leerling niet of nauwelijks in staat is om door middel van gesproken taal te reageren.
3. De vaststelling op grond van het tweede lid, onderdelen a en b, geschiedt op basis van een audiologisch onderzoek aangevuld met een logopedisch onderzoek of een door een gedragsdeskundige gemaakte beschrijving van de wijze waarop de leerling het cochleair implantaat gebruikt.
a. een gehoorstoornis van 80 decibel of meer bij het beste oor zonder gehoortoestel, of
b. een gehoorstoornis tussen 70 decibel en 80 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel waarbij de leerling kennelijk dooffunctionerend is.
2. Een leerling met een cochleair implantaat is toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, indien is vastgesteld:
a. dat de leerling, met gebruikmaking van het cochleair implantaat dat ten minste twee jaar eerder is aangebracht, kennelijk dooffunctionerend is; en
b. dat er sprake is van een zeer geringe verbale communicatieve redzaamheid, zodanig dat bij de leerling betekenisverlening aan geluid niet of nauwelijks tot stand komt en dat de leerling niet of nauwelijks in staat is om door middel van gesproken taal te reageren.
3. De vaststelling op grond van het tweede lid, onderdelen a en b, geschiedt op basis van een audiologisch onderzoek aangevuld met een logopedisch onderzoek of een door een gedragsdeskundige gemaakte beschrijving van de wijze waarop de leerling het cochleair implantaat gebruikt.