BWBR0014753
Geldig vanaf 2006-09-08
Artikel 11
Besluit leerlinggebonden financiering
1. Het aantal schooljaren waarop het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c, tweede lid, eerste volzin, van de wetbetrekking heeft, is
a. indien het betreft de toelaatbaarheid tot het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs aan: 1°. dove kinderen: 4 schooljaren;
2°. slechthorende kinderen: 3 schooljaren;
3°. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder 1° of onder 2° bedoelde kinderen: 3 schooljaren;
4°. lichamelijk gehandicapte kinderen: 3 schooljaren;
5°. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap: 3 schooljaren;
6°. langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap: 3 schooljaren;
7°. zeer moeilijk lerende kinderen: 4 schooljaren;
8°. meervoudig gehandicapte kinderen: 4 schooljaren, en
1°. dove kinderen: 4 schooljaren;
2°. slechthorende kinderen: 3 schooljaren;
3°. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder 1° of onder 2° bedoelde kinderen: 3 schooljaren;
4°. lichamelijk gehandicapte kinderen: 3 schooljaren;
5°. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap: 3 schooljaren;
6°. langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap: 3 schooljaren;
7°. zeer moeilijk lerende kinderen: 4 schooljaren;
8°. meervoudig gehandicapte kinderen: 4 schooljaren, en
b. indien het betreft de toelaatbaarheid tot cluster 4: 3 schooljaren voor alle tot cluster 4 behorende onderwijssoorten.
2. Indien het de toelaatbaarheid van een kind met het syndroom van Down betreft voor de onderwijssoort zeer moeilijk lerende kinderen, ziet het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling in afwijking van het eerste lid op de schooljaren waarvoor het kind ingeschreven staat bij een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de weten artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en op de studiejaren waarvoor het betreffende kind deelnemer is als bedoeld in artikel 2.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
3. Indien het de toelaatbaarheid van een jongere afkomstig uit een justitiële jeugdinrichting betreft en deze jongere toelaatbaar is op grond van artikel 23, derde lid, ziet het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling in afwijking van het eerste lid op een periode van één schooljaar aansluitend op de periode dat deze jongere in een justitiële jeugdinrichting heeft gezeten. Indien het oordeel in de loop van een schooljaar wordt gegeven, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan de in de eerste volzin bedoelde periode.
a. indien het betreft de toelaatbaarheid tot het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs aan: 1°. dove kinderen: 4 schooljaren;
2°. slechthorende kinderen: 3 schooljaren;
3°. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder 1° of onder 2° bedoelde kinderen: 3 schooljaren;
4°. lichamelijk gehandicapte kinderen: 3 schooljaren;
5°. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap: 3 schooljaren;
6°. langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap: 3 schooljaren;
7°. zeer moeilijk lerende kinderen: 4 schooljaren;
8°. meervoudig gehandicapte kinderen: 4 schooljaren, en
1°. dove kinderen: 4 schooljaren;
2°. slechthorende kinderen: 3 schooljaren;
3°. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder 1° of onder 2° bedoelde kinderen: 3 schooljaren;
4°. lichamelijk gehandicapte kinderen: 3 schooljaren;
5°. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap: 3 schooljaren;
6°. langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap: 3 schooljaren;
7°. zeer moeilijk lerende kinderen: 4 schooljaren;
8°. meervoudig gehandicapte kinderen: 4 schooljaren, en
b. indien het betreft de toelaatbaarheid tot cluster 4: 3 schooljaren voor alle tot cluster 4 behorende onderwijssoorten.
2. Indien het de toelaatbaarheid van een kind met het syndroom van Down betreft voor de onderwijssoort zeer moeilijk lerende kinderen, ziet het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling in afwijking van het eerste lid op de schooljaren waarvoor het kind ingeschreven staat bij een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de weten artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en op de studiejaren waarvoor het betreffende kind deelnemer is als bedoeld in artikel 2.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
3. Indien het de toelaatbaarheid van een jongere afkomstig uit een justitiële jeugdinrichting betreft en deze jongere toelaatbaar is op grond van artikel 23, derde lid, ziet het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling in afwijking van het eerste lid op een periode van één schooljaar aansluitend op de periode dat deze jongere in een justitiële jeugdinrichting heeft gezeten. Indien het oordeel in de loop van een schooljaar wordt gegeven, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan de in de eerste volzin bedoelde periode.