BWBR0014662
Geldig vanaf 2003-02-12
Artikel 5
Uitvoeringsregeling IKAP - sector Rechterlijke Macht
1. De functionele autoriteit beslist uiterlijk één maand na de datum, bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid, op de aanvraag om meer of minder uren te werken.
2. De functionele autoriteit kent de aanvraag toe, tenzij het belang van de dienst zich tegen inwilliging van de aanvraag verzet, met dien verstande dat de functionele autoriteit een aanvraag van een rechterlijk ambtenaar in opleiding toewijst in overeenstemming met de leiding van het opleidingsinstituut voor rechterlijke ambtenaren. De functionele autoriteit kent de aanvraag in ieder geval toe, indien acht weken na de datum, bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid, nog geen beslissing is genomen op een aanvraag.
3. Gehele of gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag op de in het tweede lid vermelde grond gebeurt schriftelijk en wordt gemotiveerd.
4. De vergoeding, bedoeld in artikel 2, derde lid, dan wel de inhouding, bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt gedurende de periode waarin betrokkene meer respectievelijk minder uren werkt in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald dan wel toegepast.
5. De periode, bedoeld in artikel 4, derde lid, vangt niet eerder aan dan één maand na de datum, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de periode aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand.
6. In afwijking van het eerste en tweede lid, beslist de functionele autoriteit voor het kalenderjaar 2002 uiterlijk op 31 oktober.
2. De functionele autoriteit kent de aanvraag toe, tenzij het belang van de dienst zich tegen inwilliging van de aanvraag verzet, met dien verstande dat de functionele autoriteit een aanvraag van een rechterlijk ambtenaar in opleiding toewijst in overeenstemming met de leiding van het opleidingsinstituut voor rechterlijke ambtenaren. De functionele autoriteit kent de aanvraag in ieder geval toe, indien acht weken na de datum, bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid, nog geen beslissing is genomen op een aanvraag.
3. Gehele of gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag op de in het tweede lid vermelde grond gebeurt schriftelijk en wordt gemotiveerd.
4. De vergoeding, bedoeld in artikel 2, derde lid, dan wel de inhouding, bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt gedurende de periode waarin betrokkene meer respectievelijk minder uren werkt in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald dan wel toegepast.
5. De periode, bedoeld in artikel 4, derde lid, vangt niet eerder aan dan één maand na de datum, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de periode aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand.
6. In afwijking van het eerste en tweede lid, beslist de functionele autoriteit voor het kalenderjaar 2002 uiterlijk op 31 oktober.