BWBR0014655
Geldig vanaf 2003-02-10
Artikel 5.1
Vaststellingsregeling Programma Transportbesparing (4e aanvraagperiode)
Met betrekking tot de beoordeling van haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten adviseert de Commissie Transportpreventie (hierna: de Commissie) de Minister over de aanvragen terzake van de projecten die niet op een van de onder 5 bedoelde gronden zijn afgewezen. De Minister kan de Commissie desgewenst vragen ook op overige zaken betreffende dit programma te adviseren.
De Commissie bestaat, naast de voorzitter, uit twee tot zes personen. De samenstelling is bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2000, 108 en Stcrt. 2001, 51). De voorzitter en de leden zijn voor een termijn van vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
Een lid van de Commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van het advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. Overigens stelt de Commissie haar eigen werkwijze vast. De Minister kan waarnemers aanwijzen die het recht hebben de vergaderingen van de Commissie bij te wonen, en voorziet in het secretariaat van de Commissie.
In afwijking van artikel 8, tweede lid van de SMEGworden deze aanvragen niet behandeld in volgorde van binnenkomst, maar op basis van een tendersysteem.
De Commissie rangschikt de aanvragen die voldoen aan de criteria van de SMEGen van dit programma zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het project meer bijdraagt aan de volgende criteria:
a. Effect van het project op het milieu. Het betreft de mate waarin een vermindering optreedt van de uitstoot van CO2 en NOX door reductie van ritkilometers als gevolg van het project en de wijze waarop dit aannemelijk wordt gemaakt (meetmethode). De mate waarin positieve dan wel negatieve neveneffecten (gebruik van materialen, energie, water en het ontstaan van afval) optreden ten gevolge van het project.
b. De innovativiteit van het project. De mate van vernieuwing van het voorgestelde concept of technologie waarvan implementatie leidt tot een besparing op transport. Een project dient minimaal een vernieuwend idee of een nieuwe technologie voor Nederland te omvatten. Indien een soortgelijk project als terzake waarvan reeds eerder subsidie is toegekend wordt ingediend, zal dit project niet worden gehonoreerd.
c. Slaagkans van het project. Toetsing vindt plaats op de volgende onderdelen: Technisch risico. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de technische risico's in de ogen van de Commissie door het voorgestelde project kunnen worden weggenomen.
Organisatorische risico's. Hierbij gaat het om de vraag in hoeverre en in welke mate de relevante partijen die noodzakelijk zijn om het project tot een succes te maken, bij het project betrokken zijn.
Financiële risico's. Hierbij gaat het om de vraag welke kostenbesparing mag worden verwacht naar aanleiding van het project en welke (investerings)kosten daar tegenover staan.
Technisch risico. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de technische risico's in de ogen van de Commissie door het voorgestelde project kunnen worden weggenomen.
Organisatorische risico's. Hierbij gaat het om de vraag in hoeverre en in welke mate de relevante partijen die noodzakelijk zijn om het project tot een succes te maken, bij het project betrokken zijn.
Financiële risico's. Hierbij gaat het om de vraag welke kostenbesparing mag worden verwacht naar aanleiding van het project en welke (investerings)kosten daar tegenover staan.
d. De mate waarin de projectresultaten worden toegepast, zowel binnen de onderneming(en) van de bij het project betrokken projectpartner(s) als elders in de markt. Het gaat hier om de vragen in hoeverre de projectresultaten in ogenschouw worden genomen bij toekomstige investeringsbeslissingen, hoeveel andere bedrijven in de branche de voorgestelde maatregel kunnen implementeren, in hoeveel branches de maatregel kan worden doorgevoerd en wat de totale potentiële transportbesparing (ritkilometers per jaar) is.
De aanvrager verklaart bekend te zijn met de inhoud van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en verklaart zich te zullen inspannen deze naar vermogen in zijn onderneming toe te passen.
Bij het opstellen van de rangschikking wegen alle genoemde criteria even zwaar.
De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de door de Commissie voorgestelde rangschikking. De Minister kan afwijken van het advies van de Commissie als hij van mening is dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel in strijd is met de SMEGof dit programma. De Minister zal in de regel dan ook subsidie verlenen, beginnend bij de hoogst gerangschikte aanvraag tot dat het subsidieplafond is bereikt.
De Commissie bestaat, naast de voorzitter, uit twee tot zes personen. De samenstelling is bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2000, 108 en Stcrt. 2001, 51). De voorzitter en de leden zijn voor een termijn van vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
Een lid van de Commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van het advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. Overigens stelt de Commissie haar eigen werkwijze vast. De Minister kan waarnemers aanwijzen die het recht hebben de vergaderingen van de Commissie bij te wonen, en voorziet in het secretariaat van de Commissie.
In afwijking van artikel 8, tweede lid van de SMEGworden deze aanvragen niet behandeld in volgorde van binnenkomst, maar op basis van een tendersysteem.
De Commissie rangschikt de aanvragen die voldoen aan de criteria van de SMEGen van dit programma zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het project meer bijdraagt aan de volgende criteria:
a. Effect van het project op het milieu. Het betreft de mate waarin een vermindering optreedt van de uitstoot van CO2 en NOX door reductie van ritkilometers als gevolg van het project en de wijze waarop dit aannemelijk wordt gemaakt (meetmethode). De mate waarin positieve dan wel negatieve neveneffecten (gebruik van materialen, energie, water en het ontstaan van afval) optreden ten gevolge van het project.
b. De innovativiteit van het project. De mate van vernieuwing van het voorgestelde concept of technologie waarvan implementatie leidt tot een besparing op transport. Een project dient minimaal een vernieuwend idee of een nieuwe technologie voor Nederland te omvatten. Indien een soortgelijk project als terzake waarvan reeds eerder subsidie is toegekend wordt ingediend, zal dit project niet worden gehonoreerd.
c. Slaagkans van het project. Toetsing vindt plaats op de volgende onderdelen: Technisch risico. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de technische risico's in de ogen van de Commissie door het voorgestelde project kunnen worden weggenomen.
Organisatorische risico's. Hierbij gaat het om de vraag in hoeverre en in welke mate de relevante partijen die noodzakelijk zijn om het project tot een succes te maken, bij het project betrokken zijn.
Financiële risico's. Hierbij gaat het om de vraag welke kostenbesparing mag worden verwacht naar aanleiding van het project en welke (investerings)kosten daar tegenover staan.
Technisch risico. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de technische risico's in de ogen van de Commissie door het voorgestelde project kunnen worden weggenomen.
Organisatorische risico's. Hierbij gaat het om de vraag in hoeverre en in welke mate de relevante partijen die noodzakelijk zijn om het project tot een succes te maken, bij het project betrokken zijn.
Financiële risico's. Hierbij gaat het om de vraag welke kostenbesparing mag worden verwacht naar aanleiding van het project en welke (investerings)kosten daar tegenover staan.
d. De mate waarin de projectresultaten worden toegepast, zowel binnen de onderneming(en) van de bij het project betrokken projectpartner(s) als elders in de markt. Het gaat hier om de vragen in hoeverre de projectresultaten in ogenschouw worden genomen bij toekomstige investeringsbeslissingen, hoeveel andere bedrijven in de branche de voorgestelde maatregel kunnen implementeren, in hoeveel branches de maatregel kan worden doorgevoerd en wat de totale potentiële transportbesparing (ritkilometers per jaar) is.
De aanvrager verklaart bekend te zijn met de inhoud van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en verklaart zich te zullen inspannen deze naar vermogen in zijn onderneming toe te passen.
Bij het opstellen van de rangschikking wegen alle genoemde criteria even zwaar.
De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de door de Commissie voorgestelde rangschikking. De Minister kan afwijken van het advies van de Commissie als hij van mening is dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel in strijd is met de SMEGof dit programma. De Minister zal in de regel dan ook subsidie verlenen, beginnend bij de hoogst gerangschikte aanvraag tot dat het subsidieplafond is bereikt.