BWBR0014623
Geldig vanaf 2003-04-01
Artikel 27
Wet op het LSOP en het politieonderwijs
1. Onze Minister stelt jaarlijks ten laste van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan het LSOP bijdragen ter beschikking.
2. Onverminderd het eerste lid, kan het LSOP geldmiddelen verwerven door het aanvaarden van geldmiddelen van derden in de vorm van schenkingen en legaten, door het aangaan van geldleningen, door inkomsten uit eigen beheer, en uit andere hoofde.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de doorberekening van een deel van de opleidingskosten door het LSOP aan de politie.
4. Het LSOP gebruikt de geldmiddelen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, uitsluitend ter vervulling van de taken, voortvloeiend uit artikel 3.
5. Indien blijkt dat de geldmiddelen voor het LSOP aanmerkelijk tekort zullen schieten om in de noodzakelijke behoeften te voorzien, kan door Onze Minister aan het LSOP een aanvullende bijdrage beschikbaar worden gesteld.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven betreffende de omvang en de bestemming van het vermogen van het LSOP. Indien het LSOP niet voldoet aan deze regels kan Onze Minister besluiten tot aanpassing van de hoogte van de bijdragen die aan het LSOP beschikbaar worden gesteld.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën kunnen regels worden gegeven over de wijze waarop dit artikel wordt uitgevoerd.
8. Het sluiten van geldleningen, bedoeld in het tweede lid, kan onder voorwaarden geschieden bij Onze Minister van Financiën ten laste van de begroting van Nationale Schuld.
9. Het LSOP houdt zijn liquide middelen rentedragend aan in 's Rijks schatkist.
10. Het sluiten van huur-, verkoop- en lease-overeenkomsten door het LSOP met een waarde gelijk aan of meer dan het bedrag zoals vastgesteld in de nadere voorschriften gesteld krachtens artikel 34 van de Comptabiliteitswet, dan wel voor een periode langer dan tien jaar, geschiedt na verkregen instemming van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
2. Onverminderd het eerste lid, kan het LSOP geldmiddelen verwerven door het aanvaarden van geldmiddelen van derden in de vorm van schenkingen en legaten, door het aangaan van geldleningen, door inkomsten uit eigen beheer, en uit andere hoofde.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de doorberekening van een deel van de opleidingskosten door het LSOP aan de politie.
4. Het LSOP gebruikt de geldmiddelen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, uitsluitend ter vervulling van de taken, voortvloeiend uit artikel 3.
5. Indien blijkt dat de geldmiddelen voor het LSOP aanmerkelijk tekort zullen schieten om in de noodzakelijke behoeften te voorzien, kan door Onze Minister aan het LSOP een aanvullende bijdrage beschikbaar worden gesteld.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven betreffende de omvang en de bestemming van het vermogen van het LSOP. Indien het LSOP niet voldoet aan deze regels kan Onze Minister besluiten tot aanpassing van de hoogte van de bijdragen die aan het LSOP beschikbaar worden gesteld.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën kunnen regels worden gegeven over de wijze waarop dit artikel wordt uitgevoerd.
8. Het sluiten van geldleningen, bedoeld in het tweede lid, kan onder voorwaarden geschieden bij Onze Minister van Financiën ten laste van de begroting van Nationale Schuld.
9. Het LSOP houdt zijn liquide middelen rentedragend aan in 's Rijks schatkist.
10. Het sluiten van huur-, verkoop- en lease-overeenkomsten door het LSOP met een waarde gelijk aan of meer dan het bedrag zoals vastgesteld in de nadere voorschriften gesteld krachtens artikel 34 van de Comptabiliteitswet, dan wel voor een periode langer dan tien jaar, geschiedt na verkregen instemming van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.