BWBR0014480
Geldig vanaf 2002-12-28
Artikel 6
Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging
1. Het Wtw-bevoegd gezag verbindt aan een vergunning voor het lozen:
a. voorschriften omtrent de door de beheerder te verrichten metingen en de controle op de hoeveelheid verontreinigende stoffen in het gezuiverde afvalwater;
b. voorschriften omtrent de te volgen bemonsterings- en meetprocedures alsmede de daarbij te gebruiken bemonsterings- en meetpunten;
c. het voorschrift dat de beheerder representatieve metingen gebruikt ter bepaling van de concentratie van waterverontreinigende stoffen waarvoor in de vergunning grenswaarden zijn gesteld, en
d. het voorschrift dat de beheerder de bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen uitvoert volgens de in bijlage 2 bij deze regeling genoemde normen of daaraan ten minste gelijkwaardige normen.
2. De in het eerste lid, onder a, bedoelde voorschriften bevatten in ieder geval de volgende metingen op het punt waar het afvalwater wordt geloosd:
a. continumetingen van pH, temperatuur en debiet;
b. dagelijkse steekproefmetingen van de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen of metingen van een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur;
c. maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur van de in bijlage 1 bedoelde verontreinigende stoffen overeenkomstig de punten 2 tot en met 10 van die bijlage, en
d. driemaandelijkse metingen van dioxinen en furanen gedurende de eerste bedrijfsperiode van twaalf maanden, gevolgd door zesmaandelijkse metingen.
a. voorschriften omtrent de door de beheerder te verrichten metingen en de controle op de hoeveelheid verontreinigende stoffen in het gezuiverde afvalwater;
b. voorschriften omtrent de te volgen bemonsterings- en meetprocedures alsmede de daarbij te gebruiken bemonsterings- en meetpunten;
c. het voorschrift dat de beheerder representatieve metingen gebruikt ter bepaling van de concentratie van waterverontreinigende stoffen waarvoor in de vergunning grenswaarden zijn gesteld, en
d. het voorschrift dat de beheerder de bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen uitvoert volgens de in bijlage 2 bij deze regeling genoemde normen of daaraan ten minste gelijkwaardige normen.
2. De in het eerste lid, onder a, bedoelde voorschriften bevatten in ieder geval de volgende metingen op het punt waar het afvalwater wordt geloosd:
a. continumetingen van pH, temperatuur en debiet;
b. dagelijkse steekproefmetingen van de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen of metingen van een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur;
c. maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur van de in bijlage 1 bedoelde verontreinigende stoffen overeenkomstig de punten 2 tot en met 10 van die bijlage, en
d. driemaandelijkse metingen van dioxinen en furanen gedurende de eerste bedrijfsperiode van twaalf maanden, gevolgd door zesmaandelijkse metingen.