BWBR0014394
Geldig vanaf 2023-04-18
Artikel 143
Mijnbouwbesluit
1. Indien ten aanzien van de te splitsen vergunning of één van de samen te voegen vergunningen een overeenkomst als bedoeld in artikel 81, onderdeel d, respectievelijk artikel 81, onderdeel e, respectievelijk artikel 86a, eerste lid, van de wettot stand is gekomen, verleent de in artikel 81, onderdeel a, bedoelde vennootschap en de vergunninghouders van de op grond van artikel 135of 137te verlenen vergunning of vergunningen medewerking aan de totstandkoming van een overeenkomst waarvan de voorwaarden gelijkluidend zijn aan die van eerder bedoelde overeenkomst.
2. De in het eerste lid laatstbedoelde overeenkomst behoeft de instemming van Onze Minister.
3. Tot het tijdstip waarop de instemming wordt verleend, verricht de vergunninghouder geen winningswerkzaamheden. Tot dat tijdstip behoeven besluiten als bedoeld in de artikelen 91, onderdeel c, en 97, tweede lid, van de wetde instemming van de aangewezen vennootschap.
4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrechtis van toepassing op het verzoek tot instemming, bedoeld in het tweede lid.
2. De in het eerste lid laatstbedoelde overeenkomst behoeft de instemming van Onze Minister.
3. Tot het tijdstip waarop de instemming wordt verleend, verricht de vergunninghouder geen winningswerkzaamheden. Tot dat tijdstip behoeven besluiten als bedoeld in de artikelen 91, onderdeel c, en 97, tweede lid, van de wetde instemming van de aangewezen vennootschap.
4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrechtis van toepassing op het verzoek tot instemming, bedoeld in het tweede lid.