1. De medewerker kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om ten behoeve van een of meer in het tweede lid van dit artikel genoemde doelen af te zien van de in
artikel 21 h eerste lid ARARgenoemde bronnen. Deze zijn:
a) Een vergoeding voor meer uren werken als bedoeld in artikel 21c ARAR;
b) Een vergoeding voor de verlaging van de aanspraak op vakantie-uren, als bedoeld in artikel 22, veertiende lid, ARAR;
c) De eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 20a van het BBRA 1984;
d) De vakantie-uitkering als bedoeld in artikel 21 BBRA 1984;
e) De eenmalige toeslag als bedoeld in artikel 22a BBRA 1984;
f) De eenmalige mobiliteitstoeslag als bedoeld in artikel 22c BBRA 1984;
g) De overwerkvergoeding als bedoeld in artikel 23 BBRA 1984;
h) De tegemoetkoming op basis van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel.
2. Overeenkomstig het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als bedoeld in
artikel 21h, tweede lid, ARARzijn de bestedingsdoelen:
a) Vergoeding voor een personal computer of bijbehorende randapparatuur;
b) Vergoeding van een fiets voor het woon-werkverkeer;
c) Vergoeding van de kosten van kinderopvang;
d) Vergoeding voor studie/opleiding voor een beroep en vakliteratuur;
e) Extra pensioenopbouw binnen de ruimte die het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP biedt;
f) Aanvullende vergoeding van de kosten van openbaar vervoerbewijzen die mede voor het werk worden gebruikt;
g) Vergoeding voor de inrichting van een telewerkruimte.
3. Een eenmaal gemaakte keuze van de medewerker is in beginsel bindend voor het betreffende kalenderjaar. In bijzondere gevallen kan door het bevoegd gezag een verzoek van de medewerker om die keuze te wijzigen worden ingewilligd.