BWBR0014211
Geldig vanaf 2002-11-24
Artikel I
Regeling bescherming persoonsgegevens V&W
Artikel 1 van de Wbpomschrijft de verantwoordelijke als `de natuurlijke persoon, rechtspersoon of ieder ander die of het bestuursorgaan dat, alleen of te zamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt'.
In de praktijk worden bestanden veelal aangelegd ten behoeve van een wettelijk opgedragen bestuurstaak. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat in dergelijke gevallen als de verantwoordelijke wordt aangewezen degene aan wie voor de vervulling van die taak uitdrukkelijke bevoegdheden zijn toegekend. Op rijksniveau gaat het dus in de eerste plaats om een minister voor wat betreft zijn ministerie, met inbegrip van de daaronder ressorterende diensten, instellingen en bedrijven. Daarnaast betreft het functionarissen of organen, waaraan de wetgever bestuursbevoegdheden heeft geattribueerd of waaraan krachtens de wet bevoegdheden zijn gedelegeerd.
Met deze aanpak blijven zeggenschap over de registratie en bevoegdheid ten dienste waarvan deze is aangelegd, in één hand. De concrete uitoefening van beide kan via de gebruikelijke mandaatsverhoudingen verlopen. Zo zal op verzoeken om inzage of correctie (zie artikelen 11 en 12 concept-model) niet steeds door de minister zelf behoeven te worden beslist.
Zie ook onder punt III.
In de praktijk worden bestanden veelal aangelegd ten behoeve van een wettelijk opgedragen bestuurstaak. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat in dergelijke gevallen als de verantwoordelijke wordt aangewezen degene aan wie voor de vervulling van die taak uitdrukkelijke bevoegdheden zijn toegekend. Op rijksniveau gaat het dus in de eerste plaats om een minister voor wat betreft zijn ministerie, met inbegrip van de daaronder ressorterende diensten, instellingen en bedrijven. Daarnaast betreft het functionarissen of organen, waaraan de wetgever bestuursbevoegdheden heeft geattribueerd of waaraan krachtens de wet bevoegdheden zijn gedelegeerd.
Met deze aanpak blijven zeggenschap over de registratie en bevoegdheid ten dienste waarvan deze is aangelegd, in één hand. De concrete uitoefening van beide kan via de gebruikelijke mandaatsverhoudingen verlopen. Zo zal op verzoeken om inzage of correctie (zie artikelen 11 en 12 concept-model) niet steeds door de minister zelf behoeven te worden beslist.
Zie ook onder punt III.