BWBR0014113
Geldig vanaf 2007-02-21
Artikel 4
Tijdelijke regeling specifieke uitkering jeugdgezondheidszorg
1. De uitkering, bedoeld in artikel 2, onder a, voor een gemeente bestaat uit de som van de volgende bedragen:
a. een bedrag dat wordt berekend met de formule waarin wordt voorgesteld: met de letter A: het totaal aantal jongeren dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig is in die gemeente;
met de letter B: de som van de aantallen jongeren die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig zijn in Nederland;
met de letter A: het totaal aantal jongeren dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig is in die gemeente;
met de letter B: de som van de aantallen jongeren die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig zijn in Nederland;
b. een bedrag dat wordt berekend met de formule waarin wordt voorgesteld: met de letter C: het totaal aantal lage inkomens in die gemeente volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde inkomensstatistieken;
met de letter D: de som van de aantallen lage inkomens in Nederland volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde inkomensstatistieken;
met de letter C: het totaal aantal lage inkomens in die gemeente volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde inkomensstatistieken;
met de letter D: de som van de aantallen lage inkomens in Nederland volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde inkomensstatistieken;
c. een bedrag dat wordt berekend met de formule waarin wordt voorgesteld: met de letter E: het totaal aantal minderheden dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig is in die gemeente;
met de letter F: de som van de aantallen minderheden die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig zijn in Nederland;
met de letter E: het totaal aantal minderheden dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig is in die gemeente;
met de letter F: de som van de aantallen minderheden die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig zijn in Nederland;
d. een bedrag dat wordt berekend met de formule waarin wordt voorgesteld: met de letter G: het totaal aantal kernen dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar gelegen is in die gemeente;
met de letter H: de som van de aantallen kernen die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar gelegen zijn in Nederland;
met de letter G: het totaal aantal kernen dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar gelegen is in die gemeente;
met de letter H: de som van de aantallen kernen die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar gelegen zijn in Nederland;
e. een bedrag dat wordt berekend met de formule waarin wordt voorgesteld: met de letter J: het totaal aantal hectaren land dat, volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde bodemstatistiek, behoort tot die gemeente;
met de letter K de som van de aantallen hectaren land die, volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde bodemstatistiek, behoren tot Nederland.
met de letter J: het totaal aantal hectaren land dat, volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde bodemstatistiek, behoort tot die gemeente;
met de letter K de som van de aantallen hectaren land die, volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde bodemstatistiek, behoren tot Nederland.
2. In afwijking van het eerste lid kan de minister in geval van wijziging van de indeling van gemeenten of grenscorrecties de uitkering op een ander bedrag vaststellen.
3. Bij de vaststelling van de uitkering kan de minister bepalen dat het uitkeringsbedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
4. Met het oog op de toepassing van het derde lid kan de minister bij de vaststelling van de uitkering tevens bepalen welk deel van het uitkeringsbedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
a. een bedrag dat wordt berekend met de formule waarin wordt voorgesteld: met de letter A: het totaal aantal jongeren dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig is in die gemeente;
met de letter B: de som van de aantallen jongeren die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig zijn in Nederland;
met de letter A: het totaal aantal jongeren dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig is in die gemeente;
met de letter B: de som van de aantallen jongeren die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig zijn in Nederland;
b. een bedrag dat wordt berekend met de formule waarin wordt voorgesteld: met de letter C: het totaal aantal lage inkomens in die gemeente volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde inkomensstatistieken;
met de letter D: de som van de aantallen lage inkomens in Nederland volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde inkomensstatistieken;
met de letter C: het totaal aantal lage inkomens in die gemeente volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde inkomensstatistieken;
met de letter D: de som van de aantallen lage inkomens in Nederland volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde inkomensstatistieken;
c. een bedrag dat wordt berekend met de formule waarin wordt voorgesteld: met de letter E: het totaal aantal minderheden dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig is in die gemeente;
met de letter F: de som van de aantallen minderheden die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig zijn in Nederland;
met de letter E: het totaal aantal minderheden dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig is in die gemeente;
met de letter F: de som van de aantallen minderheden die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar woonachtig zijn in Nederland;
d. een bedrag dat wordt berekend met de formule waarin wordt voorgesteld: met de letter G: het totaal aantal kernen dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar gelegen is in die gemeente;
met de letter H: de som van de aantallen kernen die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar gelegen zijn in Nederland;
met de letter G: het totaal aantal kernen dat volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar gelegen is in die gemeente;
met de letter H: de som van de aantallen kernen die volgens opgave van het CBS op 1 januari voorafgaand aan het uitkeringsjaar gelegen zijn in Nederland;
e. een bedrag dat wordt berekend met de formule waarin wordt voorgesteld: met de letter J: het totaal aantal hectaren land dat, volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde bodemstatistiek, behoort tot die gemeente;
met de letter K de som van de aantallen hectaren land die, volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde bodemstatistiek, behoren tot Nederland.
met de letter J: het totaal aantal hectaren land dat, volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde bodemstatistiek, behoort tot die gemeente;
met de letter K de som van de aantallen hectaren land die, volgens de meest recente vóór het uitkeringsjaar door het CBS vastgestelde bodemstatistiek, behoren tot Nederland.
2. In afwijking van het eerste lid kan de minister in geval van wijziging van de indeling van gemeenten of grenscorrecties de uitkering op een ander bedrag vaststellen.
3. Bij de vaststelling van de uitkering kan de minister bepalen dat het uitkeringsbedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
4. Met het oog op de toepassing van het derde lid kan de minister bij de vaststelling van de uitkering tevens bepalen welk deel van het uitkeringsbedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de arbeidsvoorwaarden.