BWBR0014113
Geldig vanaf 2007-02-21
Artikel 3
Tijdelijke regeling specifieke uitkering jeugdgezondheidszorg
1. De minister stelt de uitkering uiterlijk 1 december voorafgaand aan het uitkeringsjaar vast.
2. In afwijking van het eerste lid stelt de minister de uitkering, bedoeld in artikel 2, onder c, vast binnen drie weken na inwerkingtreding van deze regeling.
3. Het college van burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk schriftelijke mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van de uitkering. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.
4. De artikelen 4:49, 4:52, 4:56en 4:57 van de Algemene wet bestuursrechtzijn van overeenkomstige toepassing op de uitkering.
5. De uitkering wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. De vastgestelde uitkeringen kunnen worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het uitkeringsjaar.
2. In afwijking van het eerste lid stelt de minister de uitkering, bedoeld in artikel 2, onder c, vast binnen drie weken na inwerkingtreding van deze regeling.
3. Het college van burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk schriftelijke mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van de uitkering. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.
4. De artikelen 4:49, 4:52, 4:56en 4:57 van de Algemene wet bestuursrechtzijn van overeenkomstige toepassing op de uitkering.
5. De uitkering wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. De vastgestelde uitkeringen kunnen worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het uitkeringsjaar.