BWBR0014085
Geldig vanaf 2002-10-11
Artikel 9
Regeling vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart
1. Ten aanzien van passagiersschepen die in de exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12b, eerste lid, van het besluitvoorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
a. de minimumbemanning bestaat uit: voor de passagiersschepen uit groep 4 die minder dan 601 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 3 voor de exploitatiewijze A1;
voor de passagiersschepen uit groep 3 die minder dan 251 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 2 voor de exploitatiewijze A1;
voor de passagiersschepen uit groep 2 die minder dan 76 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 1 voor de exploitatiewijze A1; en
voor de passagiersschepen uit groep 4 die minder dan 601 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 3 voor de exploitatiewijze A1;
voor de passagiersschepen uit groep 3 die minder dan 251 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 2 voor de exploitatiewijze A1;
voor de passagiersschepen uit groep 2 die minder dan 76 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 1 voor de exploitatiewijze A1; en
b. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast.
3. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde passagierschepen is in geval van vaart zonder passagiers artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, onder voorwaarde dat het schip beschikt over vrij toegankelijke gangboorden die voldoen aan de in bijlage II, artikel 11.15, derde lid, van het Binnenschepenbesluitgestelde eisen.
a. de minimumbemanning bestaat uit: voor de passagiersschepen uit groep 4 die minder dan 601 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 3 voor de exploitatiewijze A1;
voor de passagiersschepen uit groep 3 die minder dan 251 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 2 voor de exploitatiewijze A1;
voor de passagiersschepen uit groep 2 die minder dan 76 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 1 voor de exploitatiewijze A1; en
voor de passagiersschepen uit groep 4 die minder dan 601 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 3 voor de exploitatiewijze A1;
voor de passagiersschepen uit groep 3 die minder dan 251 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 2 voor de exploitatiewijze A1;
voor de passagiersschepen uit groep 2 die minder dan 76 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 1 voor de exploitatiewijze A1; en
b. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast.
3. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde passagierschepen is in geval van vaart zonder passagiers artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, onder voorwaarde dat het schip beschikt over vrij toegankelijke gangboorden die voldoen aan de in bijlage II, artikel 11.15, derde lid, van het Binnenschepenbesluitgestelde eisen.