BWBR0014085
Geldig vanaf 2002-10-11
Artikel 14
Regeling vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart
1. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12, eerste lid, van het besluitvoor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;
2º. het schip onderbreekt de vaart gedurende de periode tussen 22.00 uur en 06.00 uur;
3º. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip;
4º. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, derde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;
5º. het schip is uitgerust met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar en voldoet aan de daarop betrekking hebbende artikelen in hoofdstuk 7 van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 dan wel Bijlage II, artikel 9.10, van het Binnenschepenbesluit; en
6º. het schip voldoet blijkens een verklaring van de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, zoals genoemd in artikel 13, tweede lid, van het besluit, aan de eisen van de Standaard S2.
2. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12, eerste lid, van het besluit, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en één matroos; en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid onder 5° en 6°.
3. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolgde artikel 12a, eerste lid, van het besluitvoor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 2° tot en met 5°; en
3º. het schip voldoet blijkens een verklaring van de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het besluit, aan de eisen van de Standaard S2.
4. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12a, eerste lid, van het besluitvoor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en een matroos; en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 5°, en het derde lid, onder 3°.
5. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12a, eerste lid, van het besluitvoor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een matroos; en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 5°, en het derde lid, onder 3°.
6. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12a, eerste lid, van het besluitvoor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits wordt voldaan aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en twee matrozen; en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 5°, en het derde lid, onder 3°.
1º. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;
2º. het schip onderbreekt de vaart gedurende de periode tussen 22.00 uur en 06.00 uur;
3º. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip;
4º. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, derde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement;
5º. het schip is uitgerust met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar en voldoet aan de daarop betrekking hebbende artikelen in hoofdstuk 7 van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 dan wel Bijlage II, artikel 9.10, van het Binnenschepenbesluit; en
6º. het schip voldoet blijkens een verklaring van de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, zoals genoemd in artikel 13, tweede lid, van het besluit, aan de eisen van de Standaard S2.
2. Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12, eerste lid, van het besluit, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en één matroos; en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid onder 5° en 6°.
3. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolgde artikel 12a, eerste lid, van het besluitvoor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman;
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 2° tot en met 5°; en
3º. het schip voldoet blijkens een verklaring van de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het besluit, aan de eisen van de Standaard S2.
4. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12a, eerste lid, van het besluitvoor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en een matroos; en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 5°, en het derde lid, onder 3°.
5. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12a, eerste lid, van het besluitvoor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een matroos; en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 5°, en het derde lid, onder 3°.
6. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 12a, eerste lid, van het besluitvoor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits wordt voldaan aan de volgende voorschriften:
1º. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en twee matrozen; en
2º. de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder 5°, en het derde lid, onder 3°.