1. De medewerker die op grond van bepaalde feiten of waarnemingen vermoedt dat sprake is van discriminatie zoals strafbaar gesteld in het
Wetboek van Strafrecht, meldt dit zo spoedig mogelijk aan zijn direct leidinggevende.
2. De direct leidinggevende die het vermoeden van discriminatie bedoeld in het eerste lid deelt, doet daarvan aangifte bij de politie.