BWBR0013738
Geldig vanaf 2002-08-29
Artikel 4
Gemeenschappelijke regeling Letterhoeke
1. Het algemeen bestuur bestaat uit zeven leden.
2. De minister wijst drie leden en drie plaatsvervangend leden aan.
3. Provinciale staten wijzen uit hun midden, de voorzitter van die staten inbegrepen, drie leden en drie plaatsvervangend leden aan, onder wie het lid van het college van gedeputeerde staten, dat is belast met de portefeuille culturele zaken.
4. De stichting wijst een lid en een plaatsvervangend lid aan.
5. Het lidmaatschap van de leden, aangewezen overeenkomstig het derde lid, eindigt op het moment waarop de zittingsperiode van provinciale staten afloopt. Het lidmaatschap eindigt voorts van rechtswege indien men ophoudt lid of voorzitter van provinciale staten te zijn.
6. Het lidmaatschap van de leden, aangewezen overeenkomstig het tweede en vierde lid, eindigt op het moment waarop de zittingsperiode van provinciale staten afloopt.
7. De minister, de provincie of de stichting kunnen het lidmaatschap van een door hen aangewezen lid voorts beëindigen, indien dat niet meer hun vertrouwen geniet.
8. Een persoon van wie het lidmaatschap is geëindigd ingevolge het vijfde of zesde lid kan opnieuw worden aangewezen.
9. De minister en het bestuur van de stichting beslissen zo spoedig mogelijk over een aanwijzing als bedoeld in het tweede respectievelijk vierde lid.
10. Provinciale staten beslissen in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing bedoeld in het derde lid.
11. De voorziening in een tussentijdse vacature geschiedt zo spoedig mogelijk.
12. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde zijn lidmaatschap ter beschikking stellen.
13. Een lid dat zijn lidmaatschap ter beschikking stelt, blijft zijn functie waarnemen totdat een nieuw lid is aangewezen.
14. Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende bestuursleden bevoegd besluiten te nemen.
2. De minister wijst drie leden en drie plaatsvervangend leden aan.
3. Provinciale staten wijzen uit hun midden, de voorzitter van die staten inbegrepen, drie leden en drie plaatsvervangend leden aan, onder wie het lid van het college van gedeputeerde staten, dat is belast met de portefeuille culturele zaken.
4. De stichting wijst een lid en een plaatsvervangend lid aan.
5. Het lidmaatschap van de leden, aangewezen overeenkomstig het derde lid, eindigt op het moment waarop de zittingsperiode van provinciale staten afloopt. Het lidmaatschap eindigt voorts van rechtswege indien men ophoudt lid of voorzitter van provinciale staten te zijn.
6. Het lidmaatschap van de leden, aangewezen overeenkomstig het tweede en vierde lid, eindigt op het moment waarop de zittingsperiode van provinciale staten afloopt.
7. De minister, de provincie of de stichting kunnen het lidmaatschap van een door hen aangewezen lid voorts beëindigen, indien dat niet meer hun vertrouwen geniet.
8. Een persoon van wie het lidmaatschap is geëindigd ingevolge het vijfde of zesde lid kan opnieuw worden aangewezen.
9. De minister en het bestuur van de stichting beslissen zo spoedig mogelijk over een aanwijzing als bedoeld in het tweede respectievelijk vierde lid.
10. Provinciale staten beslissen in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing bedoeld in het derde lid.
11. De voorziening in een tussentijdse vacature geschiedt zo spoedig mogelijk.
12. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde zijn lidmaatschap ter beschikking stellen.
13. Een lid dat zijn lidmaatschap ter beschikking stelt, blijft zijn functie waarnemen totdat een nieuw lid is aangewezen.
14. Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende bestuursleden bevoegd besluiten te nemen.