1. Het dagelijks bestuur legt aan het algemeen bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording af over het gevoerde financieel beheer, onder overlegging van het financieel verslag en het jaarverslag. Zij voegen daarbij een verslag als bedoeld in
artikel 217 tweede lid van de Provinciewet.
2. Het algemeen bestuur brengt jaarlijks aan de minister en provinciale staten voor 1 april een financieel verslag uit over het afgelopen kalenderjaar, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in
artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Het algemeen bestuur draagt er zorg voor dat medewerking wordt verleend aan door of namens de accountant van de provincie of de accountant van de minister in te stellen onderzoeken naar de door de accountant, bedoeld in het tweede lid, verrichte (controle)werkzaamheden.
4. Het algemeen bestuur brengt jaarlijks een verslag uit aan de minister en provinciale staten van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Dit jaarverslag geeft ook inzicht in de bereikte resultaten als bedoeld in artikel 19 vierde lid.
5. Het dagelijks bestuur zendt het financieel verslag binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar, volgende op dat waarop het financieel verslag betrekking heeft, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
6. Het algemeen bestuur stelt de in het tweede en vierde lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.
7. Na ontvangst van het financieel verslag en het jaarverslag stellen minister en de provincie de definitieve bijdragen vast. Zij delen dit mee aan Letterhoeke.