BWBR0013697
Geldig vanaf 2002-05-26
Artikel 11
Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2002
1. Na beoordeling van de verslagen, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, en artikel 9en de verklaring bedoeld in artikel 10, eerste lid, stelt de minister de bijdrage zoals bedoeld in de artikelen 4en 5over de afgelopen budgetperiode vast.
2. De minister kan bij de vaststelling van de bijdrage jegens een budgethouder verplichtingen verbinden aan het budget dat voor de op dat moment lopende budgetperiode wordt of is verleend, indien met betrekking tot de afgelopen budgetperiode:
a. de in het programma opgenomen doelstellingen naar het oordeel van de minister onvoldoende zijn bereikt en dit de budgethouder kan worden toegerekend, of
b. de budgethouder niet heeft voldaan aan de verplichtingen verbonden aan de verlening van budget, of
c. de verleende voorschotten door de budgethouder zijn besteed aan een ander doel dan bodemsanering, of
d. de verslagen als bedoeld in artikel 8, eerste lid en artikel 9 niet of niet tijdig zijn ingediend.
3. Indien naar het oordeel van de minister genoegzaam vaststaat dat met de verplichtingen, zoals bedoeld in het tweede lid, niet kan worden volstaan, dan wel van het opleggen daarvan in redelijkheid onvoldoende resultaat kan worden verwacht, kan het budget over de afgelopen budgetperiode, zo nodig ambtshalve, lager worden vastgesteld dan de voor die budgetperiode verleende bijdrage. Het verschil wordt aangemerkt als onverschuldigd betaald.
4. Onverschuldigd betaalde bedragen aan voorschotten kunnen worden teruggevorderd, voorzover na de dag waarop de bijdrage is vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken. Bij de terugvordering kan worden bepaald dat over de onverschuldigd betaalde bedragen een wettelijke rente verschuldigd is.
5. Indien de gerealiseerde bestedingen in de afgelopen budgetperiode groter zijn dan de door de minister verleende bijdrage zoals bedoeld in artikel 4kan hij de meerdere bestedingen betrekken in de verlening van de bijdrage voor de op dat moment lopende budgetperiode, onder de volgende voorwaarden:
a. dit geldt tot een maximum van 30% van de verleende bijdrage van de afgelopen budgetperiode en
b. dat met deze extra bestedingen in gelijke mate meer prestaties uit het programma van de afgelopen budgetperiode zijn gerealiseerd dan met de verleende bijdrage zoals bedoeld in artikel 4 mogelijk was.
2. De minister kan bij de vaststelling van de bijdrage jegens een budgethouder verplichtingen verbinden aan het budget dat voor de op dat moment lopende budgetperiode wordt of is verleend, indien met betrekking tot de afgelopen budgetperiode:
a. de in het programma opgenomen doelstellingen naar het oordeel van de minister onvoldoende zijn bereikt en dit de budgethouder kan worden toegerekend, of
b. de budgethouder niet heeft voldaan aan de verplichtingen verbonden aan de verlening van budget, of
c. de verleende voorschotten door de budgethouder zijn besteed aan een ander doel dan bodemsanering, of
d. de verslagen als bedoeld in artikel 8, eerste lid en artikel 9 niet of niet tijdig zijn ingediend.
3. Indien naar het oordeel van de minister genoegzaam vaststaat dat met de verplichtingen, zoals bedoeld in het tweede lid, niet kan worden volstaan, dan wel van het opleggen daarvan in redelijkheid onvoldoende resultaat kan worden verwacht, kan het budget over de afgelopen budgetperiode, zo nodig ambtshalve, lager worden vastgesteld dan de voor die budgetperiode verleende bijdrage. Het verschil wordt aangemerkt als onverschuldigd betaald.
4. Onverschuldigd betaalde bedragen aan voorschotten kunnen worden teruggevorderd, voorzover na de dag waarop de bijdrage is vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken. Bij de terugvordering kan worden bepaald dat over de onverschuldigd betaalde bedragen een wettelijke rente verschuldigd is.
5. Indien de gerealiseerde bestedingen in de afgelopen budgetperiode groter zijn dan de door de minister verleende bijdrage zoals bedoeld in artikel 4kan hij de meerdere bestedingen betrekken in de verlening van de bijdrage voor de op dat moment lopende budgetperiode, onder de volgende voorwaarden:
a. dit geldt tot een maximum van 30% van de verleende bijdrage van de afgelopen budgetperiode en
b. dat met deze extra bestedingen in gelijke mate meer prestaties uit het programma van de afgelopen budgetperiode zijn gerealiseerd dan met de verleende bijdrage zoals bedoeld in artikel 4 mogelijk was.