BWBR0013671
Geldig vanaf 2002-05-25
Artikel 3
Regeling verbreding onderwijskansenbeleid
1. Een gemeente komt in aanmerking voor een specifieke uitkering indien:
a. de gemeente in de periode 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2006 een specifieke uitkering ontvangt voor de uitvoering van GOA-beleid en;
b. in de gemeente één of meer onderwijskansenscholen gevestigd zijn en;
c. waarvan voor zover het onderwijskansenscholen betreft als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder a: 1e de Inspectie van het Onderwijs in het IST/RST- rapport naar aanleiding van het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de basiskwaliteit onvoldoende is, te weten: a. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de opbrengsten onder het verwachte niveau liggen en dat de kwaliteit van het onderwijsleerproces onvoldoende is, of
b. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek de opbrengsten niet kon vaststellen maar waarbij de kwaliteit van het onderwijsleerproces als onvoldoende is aangemerkt;
a. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de opbrengsten onder het verwachte niveau liggen en dat de kwaliteit van het onderwijsleerproces onvoldoende is, of
b. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek de opbrengsten niet kon vaststellen maar waarbij de kwaliteit van het onderwijsleerproces als onvoldoende is aangemerkt;
2e indien niet wordt voldaan aan het gestelde onder 1e, wordt aangetoond dat sprake is van aantoonbare risico’s ten aanzien van de basiskwaliteit, te weten het niveau van de opbrengsten en de kwaliteit van het onderwijsleerproces en;
1e de Inspectie van het Onderwijs in het IST/RST- rapport naar aanleiding van het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de basiskwaliteit onvoldoende is, te weten: a. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de opbrengsten onder het verwachte niveau liggen en dat de kwaliteit van het onderwijsleerproces onvoldoende is, of
b. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek de opbrengsten niet kon vaststellen maar waarbij de kwaliteit van het onderwijsleerproces als onvoldoende is aangemerkt;
a. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de opbrengsten onder het verwachte niveau liggen en dat de kwaliteit van het onderwijsleerproces onvoldoende is, of
b. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek de opbrengsten niet kon vaststellen maar waarbij de kwaliteit van het onderwijsleerproces als onvoldoende is aangemerkt;
2e indien niet wordt voldaan aan het gestelde onder 1e, wordt aangetoond dat sprake is van aantoonbare risico’s ten aanzien van de basiskwaliteit, te weten het niveau van de opbrengsten en de kwaliteit van het onderwijsleerproces en;
d. de gemeente in op overeenstemming gericht overleg met het bestuur van de onderwijskansenscholen een plan van aanpak heeft opgesteld dat voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 5.
2. Indien sprake is van de situatie genoemd in het eerste lid onder c 2e wordt een specifieke uitkering toegekend voor één onderwijskansenschool voor basisonderwijs per gemeente.
3. Indien sprake is van de situatie genoemd in het eerste lid onder c 2e en er binnen de gemeente op de teldatum 1 oktober 2000, 1900 of meer leerlingen zijn met een gewicht als bedoeld in artikel 15b van het Formatiebesluit WPOwordt een specifieke uitkering toegekend ten behoeve van maximaal twee onderwijskansenscholen voor basisonderwijs.
4. Niet in aanmerking voor een specifieke uitkering op grond van deze regeling komen de gemeenten genoemd in de bijlagebij deze regeling.
a. de gemeente in de periode 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2006 een specifieke uitkering ontvangt voor de uitvoering van GOA-beleid en;
b. in de gemeente één of meer onderwijskansenscholen gevestigd zijn en;
c. waarvan voor zover het onderwijskansenscholen betreft als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder a: 1e de Inspectie van het Onderwijs in het IST/RST- rapport naar aanleiding van het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de basiskwaliteit onvoldoende is, te weten: a. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de opbrengsten onder het verwachte niveau liggen en dat de kwaliteit van het onderwijsleerproces onvoldoende is, of
b. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek de opbrengsten niet kon vaststellen maar waarbij de kwaliteit van het onderwijsleerproces als onvoldoende is aangemerkt;
a. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de opbrengsten onder het verwachte niveau liggen en dat de kwaliteit van het onderwijsleerproces onvoldoende is, of
b. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek de opbrengsten niet kon vaststellen maar waarbij de kwaliteit van het onderwijsleerproces als onvoldoende is aangemerkt;
2e indien niet wordt voldaan aan het gestelde onder 1e, wordt aangetoond dat sprake is van aantoonbare risico’s ten aanzien van de basiskwaliteit, te weten het niveau van de opbrengsten en de kwaliteit van het onderwijsleerproces en;
1e de Inspectie van het Onderwijs in het IST/RST- rapport naar aanleiding van het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de basiskwaliteit onvoldoende is, te weten: a. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de opbrengsten onder het verwachte niveau liggen en dat de kwaliteit van het onderwijsleerproces onvoldoende is, of
b. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek de opbrengsten niet kon vaststellen maar waarbij de kwaliteit van het onderwijsleerproces als onvoldoende is aangemerkt;
a. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek heeft vastgesteld dat de opbrengsten onder het verwachte niveau liggen en dat de kwaliteit van het onderwijsleerproces onvoldoende is, of
b. scholen waarvan de Inspectie tijdens het laatste schoolbezoek de opbrengsten niet kon vaststellen maar waarbij de kwaliteit van het onderwijsleerproces als onvoldoende is aangemerkt;
2e indien niet wordt voldaan aan het gestelde onder 1e, wordt aangetoond dat sprake is van aantoonbare risico’s ten aanzien van de basiskwaliteit, te weten het niveau van de opbrengsten en de kwaliteit van het onderwijsleerproces en;
d. de gemeente in op overeenstemming gericht overleg met het bestuur van de onderwijskansenscholen een plan van aanpak heeft opgesteld dat voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 5.
2. Indien sprake is van de situatie genoemd in het eerste lid onder c 2e wordt een specifieke uitkering toegekend voor één onderwijskansenschool voor basisonderwijs per gemeente.
3. Indien sprake is van de situatie genoemd in het eerste lid onder c 2e en er binnen de gemeente op de teldatum 1 oktober 2000, 1900 of meer leerlingen zijn met een gewicht als bedoeld in artikel 15b van het Formatiebesluit WPOwordt een specifieke uitkering toegekend ten behoeve van maximaal twee onderwijskansenscholen voor basisonderwijs.
4. Niet in aanmerking voor een specifieke uitkering op grond van deze regeling komen de gemeenten genoemd in de bijlagebij deze regeling.