BWBR0013660
Geldig vanaf 2002-07-01
Artikel 15
Instellingsbesluit Productschap Dranken
1. Het Bedrijfschap voor de Detailhandel in Alcoholhoudende Dranken, het Bedrijfschap Frisdranken en Waters, het Produktschap voor Bier en het Produktschap voor Gedistilleerde Dranken, zijn opgeheven.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bedrijfslichamen verstaan de in het eerste lid genoemde bedrijfslichamen.
3. Onverminderd het feit dat de bedrijfslichamen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit zijn opgeheven, blijven de in de bijlage A vermelde, door de bedrijfslichamen vastgestelde verordeningen en andere besluiten, voor de in het tweede lid van artikel 3genoemde ondernemingen, van kracht tot de datum waarop de door het productschap vastgestelde verordeningen en andere besluiten ter zake in werking zullen treden.
4. De rechten, lasten en verplichtingen van de in het eerste lid vermelde bedrijfslichamen ten opzichte van hun personeel, gaan over naar het productschap.
5. De rechten en de verplichtingen van de gewezen werknemers van de in het eerste lid genoemde bedrijfslichamen blijven na de opheffing in stand.
6. Voorzover de rechten en verplichtingen betrekking hebben op pensioenverzekeringen en VUT-aanspraken, worden zij na de opheffing van de bedrijfslichamen overgenomen dan wel voortgezet door het productschap.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bedrijfslichamen verstaan de in het eerste lid genoemde bedrijfslichamen.
3. Onverminderd het feit dat de bedrijfslichamen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit zijn opgeheven, blijven de in de bijlage A vermelde, door de bedrijfslichamen vastgestelde verordeningen en andere besluiten, voor de in het tweede lid van artikel 3genoemde ondernemingen, van kracht tot de datum waarop de door het productschap vastgestelde verordeningen en andere besluiten ter zake in werking zullen treden.
4. De rechten, lasten en verplichtingen van de in het eerste lid vermelde bedrijfslichamen ten opzichte van hun personeel, gaan over naar het productschap.
5. De rechten en de verplichtingen van de gewezen werknemers van de in het eerste lid genoemde bedrijfslichamen blijven na de opheffing in stand.
6. Voorzover de rechten en verplichtingen betrekking hebben op pensioenverzekeringen en VUT-aanspraken, worden zij na de opheffing van de bedrijfslichamen overgenomen dan wel voortgezet door het productschap.