1. De minister kan per kalenderjaar één of meer aanvraagperioden vaststellen voor het aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 2en kan daarbij nadere voorwaarden met betrekking tot het indienen van een aanvraag vaststellen.
2. De minister stelt voor iedere aanvraagperiode een subsidieplafond vast voor de op grond van deze regeling te verstrekken subsidies en kan daarbij onderscheid maken tussen activiteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, b, of c.
3. De minister verdeelt het per aanvraagperiode beschikbare bedrag in de volgorde van de datum van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag volledig is aangevuld bepalend is voor het moment van indiening van de aanvraag.
4. Indien door toewijzing van subsidieaanvragen met dezelfde datum van ontvangst, het subsidieplafond zou worden overschreden, geschiedt de rangschikking door middel van een loting, verricht door een notaris, van de op dezelfde dag ontvangen aanvragen. De loting geschiedt door een door de minister aan te wijzen notaris.
5. De minister kan besluiten dat geen aanvragen meer kunnen worden ingediend indien het subsidieplafond dreigt te worden overschreden of indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.
6. De minister maakt de besluiten, bedoeld in het eerste, tweede en vijfde lid, bekend in de Staatscourant.