BWBR0013586
Geldig vanaf 2002-04-17
Artikel 3
Beleidsregels privacy Internet- en e-mailgebruik EZ
1. Een hoofd van dienst kan opdracht geven tot het monitoren van een of meer medewerkers die onder hem ressorteren, indien er aanwijzing bestaat dat de betrokken medewerker handelde in strijd met de gedragslijn.
2. De opdracht tot het monitoren van een ondernemingsraadslid wordt uitsluitend gegeven na overleg met de voorzitter van de betreffende ondernemingsraad door het hoofd van dienst of, indien de opdracht betrekking heeft op die voorzitter, diens plaatsvervanger.
3. In afwijking van het eerste lid kan uitsluitend de SG opdracht geven tot het monitoren van een vertrouwenspersoon. Vóór het geven van de opdracht overlegt de SG met de voorzitter van de Departementale Ondernemingsraad over de voorgenomen opdracht.
4. De opdracht tot monitoren geldt voor ten hoogste één maand en kan slechts met één maand verlengd worden door degene die bevoegd is de opdracht te geven.
5. Het monitoren van een medewerker vangt aan nadat de medewerker daarvan schriftelijk mededeling is gedaan en heeft uitsluitend betrekking op Internet- en e-mailgebruik dat daarna plaatsvindt.
6. Het monitoren geschiedt uitsluitend door de beheerder en ter uitvoering van een opdracht. De beheerder kan een hoofd van dienst verzoeken om een opdracht tot monitoren te verstrekken.
7. Het monitoren van een vertrouwenspersoon of een ondernemingsraadslid heeft geen betrekking op gegevens die bestaan uit de inhoud van e-mailberichten of de bijlagen daarbij.
2. De opdracht tot het monitoren van een ondernemingsraadslid wordt uitsluitend gegeven na overleg met de voorzitter van de betreffende ondernemingsraad door het hoofd van dienst of, indien de opdracht betrekking heeft op die voorzitter, diens plaatsvervanger.
3. In afwijking van het eerste lid kan uitsluitend de SG opdracht geven tot het monitoren van een vertrouwenspersoon. Vóór het geven van de opdracht overlegt de SG met de voorzitter van de Departementale Ondernemingsraad over de voorgenomen opdracht.
4. De opdracht tot monitoren geldt voor ten hoogste één maand en kan slechts met één maand verlengd worden door degene die bevoegd is de opdracht te geven.
5. Het monitoren van een medewerker vangt aan nadat de medewerker daarvan schriftelijk mededeling is gedaan en heeft uitsluitend betrekking op Internet- en e-mailgebruik dat daarna plaatsvindt.
6. Het monitoren geschiedt uitsluitend door de beheerder en ter uitvoering van een opdracht. De beheerder kan een hoofd van dienst verzoeken om een opdracht tot monitoren te verstrekken.
7. Het monitoren van een vertrouwenspersoon of een ondernemingsraadslid heeft geen betrekking op gegevens die bestaan uit de inhoud van e-mailberichten of de bijlagen daarbij.