BWBR0013481
Geldig vanaf 2002-03-09
Artikel 8
Subsidieregeling technische assistentie in opkomende markten
De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. hij het onaannemelijk acht, dat: 1º. een managementondersteuningsproject binnen drie jaren kan worden voltooid;
2º. een scholingsproject binnen 18 maanden kan worden voltooid en niet langer duurt dan drie maanden per te scholen werknemer;
1º. een managementondersteuningsproject binnen drie jaren kan worden voltooid;
2º. een scholingsproject binnen 18 maanden kan worden voltooid en niet langer duurt dan drie maanden per te scholen werknemer;
c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project;
d. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren;
e. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
f. hij het onaannemelijk acht dat het project een wezenlijke bijdrage levert aan het doel met het oog waarop het project wordt uitgevoerd;
g. hij het onaannemelijk acht dat het project zal bijdragen aan een duurzame ontwikkeling van de economie van de opkomende markt;
h. de met het project gemoeide kosten niet in redelijke verhouding staan tot de resultaten die met dat project beoogd worden;
i. ingeval van een scholingsproject, de opleiding niet relevant is voor de functie van de te scholen werknemer;
j. ingeval van een scholingsproject, geen sprake is van een duurzaam dienstverband van de te scholen werknemer;
k. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen met het oog op verkrijging van de subsidie dan wel bij de uitvoering van het project of de toepassing van de resultaten daarvan omkoping in de zin van de artikelen 177 en 177a jo. 178a van het Wetboek van Strafrecht hebben gepleegd respectievelijk zullen plegen;
l. gegronde vrees bestaat dat de resultaten van het project zullen worden aangewend ten behoeve van activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben;
m. gegronde vrees bestaat dat bij de uitvoering van het project of de toepassing van de resultaten daarvan de fundamentele arbeidsnormen, neergelegd in de Verdragen nrs. 29, 87, 98, 100, 105, 111, 138 en 182 van de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, niet zullen worden nageleefd, tenzij naleving niet mogelijk is als gevolg van wetgeving in de desbetreffende opkomende markt.
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. hij het onaannemelijk acht, dat: 1º. een managementondersteuningsproject binnen drie jaren kan worden voltooid;
2º. een scholingsproject binnen 18 maanden kan worden voltooid en niet langer duurt dan drie maanden per te scholen werknemer;
1º. een managementondersteuningsproject binnen drie jaren kan worden voltooid;
2º. een scholingsproject binnen 18 maanden kan worden voltooid en niet langer duurt dan drie maanden per te scholen werknemer;
c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project;
d. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren;
e. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
f. hij het onaannemelijk acht dat het project een wezenlijke bijdrage levert aan het doel met het oog waarop het project wordt uitgevoerd;
g. hij het onaannemelijk acht dat het project zal bijdragen aan een duurzame ontwikkeling van de economie van de opkomende markt;
h. de met het project gemoeide kosten niet in redelijke verhouding staan tot de resultaten die met dat project beoogd worden;
i. ingeval van een scholingsproject, de opleiding niet relevant is voor de functie van de te scholen werknemer;
j. ingeval van een scholingsproject, geen sprake is van een duurzaam dienstverband van de te scholen werknemer;
k. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen met het oog op verkrijging van de subsidie dan wel bij de uitvoering van het project of de toepassing van de resultaten daarvan omkoping in de zin van de artikelen 177 en 177a jo. 178a van het Wetboek van Strafrecht hebben gepleegd respectievelijk zullen plegen;
l. gegronde vrees bestaat dat de resultaten van het project zullen worden aangewend ten behoeve van activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben;
m. gegronde vrees bestaat dat bij de uitvoering van het project of de toepassing van de resultaten daarvan de fundamentele arbeidsnormen, neergelegd in de Verdragen nrs. 29, 87, 98, 100, 105, 111, 138 en 182 van de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, niet zullen worden nageleefd, tenzij naleving niet mogelijk is als gevolg van wetgeving in de desbetreffende opkomende markt.