BWBR0013458
Geldig vanaf 2002-03-08
Artikel 7
Scholingsregeling BZK
1. De medewerker, bedoeld in de artikelen 2tot en met 4, kan door het bevoegd gezag worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van respectievelijk tegemoetkoming in de scholingskosten:
a) indien de medewerker naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende inspanningen pleegt of onvoldoende resultaat behaalt in de scholing dan wel redelijkerwijs niet in staat wordt geacht de scholing binnen de vastgestelde termijn af te ronden, dan wel de medewerker tussentijds het volgen van de scholing afbreekt, tenzij de medewerker aannemelijk maakt dat de omstandigheid niet aan eigen schuld of toedoen te wijten is;
b) bij ontslag tijdens het volgen van de scholing;
c) bij ontslag binnen een termijn van maximaal één jaar na het met voldoende resultaat afronden van de studie, tenzij de medewerker binnen één maand na diens ontslag elders in dienst treedt binnen de Rijksdienst.
2. De terugbetalingsverplichting op grond van het eerste lid, onder b of c, is niet van toepassing indien het bevoegd gezag de vergoeding van of tegemoetkoming in de scholingskosten juist of mede aan de medewerker heeft toegekend ten behoeve van het verkrijgen van een functie buiten het ministerie. De terugbetalingsverplichting op grond van het eerste lid, onder c, geldt voor de medewerker, bedoeld in artikel 2, slechts in bijzondere gevallen.
3. De terugbetalingsverplichting op grond van het eerste en tweede lid, kan slechts worden opgelegd voor zover de vergoeding of tegemoetkoming in totaliteit ten minste € 5.000,- bedraagt. Dit geldt niet indien een situatie als bedoeld in het eerste lid, onder a, door toedoen van de medewerker is ontstaan en dit naar het oordeel van het bevoegd gezag aan hem verweten kan worden.
4. Indien aan de medewerker een terugbetalingsverplichting is opgelegd op grond van het eerste lid, onder c, dient de medewerker voor elke maand die na afronding van de scholing nog ontbreekt aan de termijn van één jaar, 1/12e deel van de scholingskosten terug te betalen aan het ministerie.
5. Indien de medewerker na het ontslag, bedoeld in het eerste lid, recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, volledig FPU of ouderdomspensioen, wordt geen terugbetalingsverplichting opgelegd.
a) indien de medewerker naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende inspanningen pleegt of onvoldoende resultaat behaalt in de scholing dan wel redelijkerwijs niet in staat wordt geacht de scholing binnen de vastgestelde termijn af te ronden, dan wel de medewerker tussentijds het volgen van de scholing afbreekt, tenzij de medewerker aannemelijk maakt dat de omstandigheid niet aan eigen schuld of toedoen te wijten is;
b) bij ontslag tijdens het volgen van de scholing;
c) bij ontslag binnen een termijn van maximaal één jaar na het met voldoende resultaat afronden van de studie, tenzij de medewerker binnen één maand na diens ontslag elders in dienst treedt binnen de Rijksdienst.
2. De terugbetalingsverplichting op grond van het eerste lid, onder b of c, is niet van toepassing indien het bevoegd gezag de vergoeding van of tegemoetkoming in de scholingskosten juist of mede aan de medewerker heeft toegekend ten behoeve van het verkrijgen van een functie buiten het ministerie. De terugbetalingsverplichting op grond van het eerste lid, onder c, geldt voor de medewerker, bedoeld in artikel 2, slechts in bijzondere gevallen.
3. De terugbetalingsverplichting op grond van het eerste en tweede lid, kan slechts worden opgelegd voor zover de vergoeding of tegemoetkoming in totaliteit ten minste € 5.000,- bedraagt. Dit geldt niet indien een situatie als bedoeld in het eerste lid, onder a, door toedoen van de medewerker is ontstaan en dit naar het oordeel van het bevoegd gezag aan hem verweten kan worden.
4. Indien aan de medewerker een terugbetalingsverplichting is opgelegd op grond van het eerste lid, onder c, dient de medewerker voor elke maand die na afronding van de scholing nog ontbreekt aan de termijn van één jaar, 1/12e deel van de scholingskosten terug te betalen aan het ministerie.
5. Indien de medewerker na het ontslag, bedoeld in het eerste lid, recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, volledig FPU of ouderdomspensioen, wordt geen terugbetalingsverplichting opgelegd.