BWBR0013430
Geldig vanaf 2002-04-01
Artikel 7
Besluit glastuinbouw
1. Degene die een glastuinbouwbedrijf type B opricht, meldt dit ten minste acht weken voor de oprichting aan het inrichting-bevoegd gezag.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een glastuinbouwbedrijf type B en het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit uitbreiden, wijzigen of veranderen van de werking van het glastuinbouwbedrijf geen afwijking ontstaat van de bij die melding eerder verstrekte gegevens.
3. Bij een melding wordt vermeld:
a. het adres van het glastuinbouwbedrijf;
b. de naam en het adres van degene die het glastuinbouwbedrijf opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien dat iemand anders is, van degene die het glastuinbouwbedrijf drijft of zal drijven;
c. de aard en omvang van de activiteiten of processen in het glastuinbouwbedrijf;
d. de indeling en de uitvoering van het glastuinbouwbedrijf;
e. het tijdstip waarop het glastuinbouwbedrijf of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking verwezenlijkt zal zijn;
f. de aard, omvang en frequentie van de transportactiviteiten en
g. de plaats waar wordt geladen en gelost en
h. vervallen.
4. Bij de melding worden voorts gevoegd
a. een rapport van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodem, gericht op het in beeld brengen van de toestand van de bodem voor het tijdstip waarop het glastuinbouwbedrijf of de verandering daarvan in werking is gebracht, dan wel de verandering van de verwerking is verwezenlijkt. Het onderzoek naar de nulsituatie richt zich uitsluitend op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen, en op de plaatsen waar bodembedreigende handelingen plaatsvinden dan wel zullen plaatsvinden;
b. een rapportage van een vooronderzoek. Het vooronderzoek richt zich op de gehele inrichting;
c. indien assimilatiebelichting wordt toegepast: de verlichtingssterkte, uitgedrukt in lux, alsmede het type lamp, het aantal Watt per vierkante meter en het totale vermogen van de geïnstalleerde lampen in Watt.
5. Indien bij de melding geen rapport van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodem is gevoegd, kan het bevoegd gezag besluiten dat een zodanig onderzoek niet is vereist, indien aannemelijk is dat de kans op toekomstige bodemverontreiniging afwezig is.
6. Indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau of het piekniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten hoger zal zijn dan de waarden, bedoeld in voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1 van bijlage 2, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat een rapport van een onderzoek naar de akoestische situatie moet worden overgelegd.
7. Het onderzoek richt zich met gebruikmaking van geluidmetingen of geluidberekeningen op de bestaande en te verwachten geluidniveaus en op maatregelen en voorzieningen die ertoe kunnen leiden dat de geluidniveaus de waarden bedoeld in voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1 van bijlage 2niet zullen overschrijden.
8. De in het derde en vierde lid vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt, indien degene die het glastuinbouwbedrijf type B drijft, deze gegevens reeds aan het inrichting-bevoegd gezag heeft verschaft en het inrichting-bevoegd gezag over die gegevens beschikt.
9. Degene die de melding doet, geeft in voorkomend geval bij de melding aan welke gegevens hij reeds aan het inrichting-bevoegd gezag heeft verschaft.
10. Bij de melding overeenkomstig artikel 5, tweede lid, worden aan het inrichting-bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat met de toe te passen andere middelen een ten minste gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een glastuinbouwbedrijf type B en het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit uitbreiden, wijzigen of veranderen van de werking van het glastuinbouwbedrijf geen afwijking ontstaat van de bij die melding eerder verstrekte gegevens.
3. Bij een melding wordt vermeld:
a. het adres van het glastuinbouwbedrijf;
b. de naam en het adres van degene die het glastuinbouwbedrijf opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien dat iemand anders is, van degene die het glastuinbouwbedrijf drijft of zal drijven;
c. de aard en omvang van de activiteiten of processen in het glastuinbouwbedrijf;
d. de indeling en de uitvoering van het glastuinbouwbedrijf;
e. het tijdstip waarop het glastuinbouwbedrijf of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking verwezenlijkt zal zijn;
f. de aard, omvang en frequentie van de transportactiviteiten en
g. de plaats waar wordt geladen en gelost en
h. vervallen.
4. Bij de melding worden voorts gevoegd
a. een rapport van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodem, gericht op het in beeld brengen van de toestand van de bodem voor het tijdstip waarop het glastuinbouwbedrijf of de verandering daarvan in werking is gebracht, dan wel de verandering van de verwerking is verwezenlijkt. Het onderzoek naar de nulsituatie richt zich uitsluitend op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen, en op de plaatsen waar bodembedreigende handelingen plaatsvinden dan wel zullen plaatsvinden;
b. een rapportage van een vooronderzoek. Het vooronderzoek richt zich op de gehele inrichting;
c. indien assimilatiebelichting wordt toegepast: de verlichtingssterkte, uitgedrukt in lux, alsmede het type lamp, het aantal Watt per vierkante meter en het totale vermogen van de geïnstalleerde lampen in Watt.
5. Indien bij de melding geen rapport van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodem is gevoegd, kan het bevoegd gezag besluiten dat een zodanig onderzoek niet is vereist, indien aannemelijk is dat de kans op toekomstige bodemverontreiniging afwezig is.
6. Indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau of het piekniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten hoger zal zijn dan de waarden, bedoeld in voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1 van bijlage 2, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat een rapport van een onderzoek naar de akoestische situatie moet worden overgelegd.
7. Het onderzoek richt zich met gebruikmaking van geluidmetingen of geluidberekeningen op de bestaande en te verwachten geluidniveaus en op maatregelen en voorzieningen die ertoe kunnen leiden dat de geluidniveaus de waarden bedoeld in voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1 van bijlage 2niet zullen overschrijden.
8. De in het derde en vierde lid vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt, indien degene die het glastuinbouwbedrijf type B drijft, deze gegevens reeds aan het inrichting-bevoegd gezag heeft verschaft en het inrichting-bevoegd gezag over die gegevens beschikt.
9. Degene die de melding doet, geeft in voorkomend geval bij de melding aan welke gegevens hij reeds aan het inrichting-bevoegd gezag heeft verschaft.
10. Bij de melding overeenkomstig artikel 5, tweede lid, worden aan het inrichting-bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat met de toe te passen andere middelen een ten minste gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt.