BWBR0013430
Geldig vanaf 2002-04-01
Artikel 2
Besluit glastuinbouw
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder:
a. glastuinbouwbedrijf: een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het onder een permanente opstand van glas of van kunststof telen van gewassen, met uitzondering van een zodanige inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het onder een zodanige opstand telen van eetbare paddestoelen of witlof;
b. glastuinbouwbedrijf type A: glastuinbouwbedrijf, waar: 1°. gedeputeerde staten het inrichting-bevoegd gezag voor zijn;
2°. een of meer installaties aanwezig zijn voor het verstoken of verbranden van andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, gasolie of biodiesel, die voldoen aan NEN-EN 14.214, met een individueel nominaal vermogen van meer dan 20 kilowatt;
3°. een andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas dan wel in een combinatie van deze brandstoffen wordt gestookt ten behoeve van een warmtekrachtinstallatie;
4°. een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd vermogen van 15 MW of meer;
5°. activiteiten of handelingen plaatsvinden, als bedoeld in categorie 21 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht;
6°. in een specifieke daartoe ingerichte ruimte behandeling voor derden van bloembollen of knollen met gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt;
7°. kunstmeststoffen worden opgeslagen behorende tot groep 3 of groep 4 als bedoeld in PGS 7 of meer dan 50 ton kunstmeststoffen behorende tot groep 2 wordt opgeslagen als bedoeld in PGS 7;
8°. verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde kunstmeststoffen, worden opgeslagen in een opslagvoorziening met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kilogram;
9°. windenergie in elektrische energie wordt omgezet met één of meer windturbines, tenzij: aa. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast,
bb. windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor,
cc. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige bestemming, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en
dd. de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW;
aa. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast,
bb. windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor,
cc. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige bestemming, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en
dd. de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW;
10°. vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in tanks worden opgeslagen, tenzij sprake is van: a. opslaan van vloeibare brandstoffen, biodiesel of afgewerkte olie in ondergrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
b. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
c. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 15 kubieke meter,
d. opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in bovengrondse tanks;
e. opslaan van petroleum in een of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 1,5 kubieke meter;
a. opslaan van vloeibare brandstoffen, biodiesel of afgewerkte olie in ondergrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
b. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
c. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 15 kubieke meter,
d. opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in bovengrondse tanks;
e. opslaan van petroleum in een of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 1,5 kubieke meter;
11°. gassen of gasmengsels in tanks worden opgeslagen, tenzij sprake is van de opslag van propaan waarop het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van toepassing is of van de opslag van vloeibare kooldioxide;
12°. aflevering van brandstoffen ten behoeve van tractiedoeleinden plaatsvindt aan motorvoertuigen van derden;
13°. per transportmiddel meer dan één wisselreservoir met een waterinhoud van ten hoogste 150 liter aanwezig is;
14°. bloemen en planten worden geverfd;
15°. vee bedrijfsmatig wordt gehouden;
16°. koel- en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een inhoud per installatie van meer dan 1500 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengels van propaan en butaan;
17°. het Besluit externe veiligheid inrichtingen op van toepassing is;
18°. de oprichting van heeft plaatsgevonden: aa. na 30 april 1996 en het glastuinbouwbedrijf is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie II, of
bb. voor 1 mei 1996 en het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, is gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 10 meter van een object categorie II, of het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, na 1 oktober 2009 komt te liggen op een afstand van minder dan 50 meter van enig object categorie I dan wel tot minder dan 25 meter van enig object categorie II, waarbij geldt dat voor de bepaling van de afstanden wordt gemeten vanaf het onderdeel van het glastuinbouwbedrijf dat het dichtst bij het genoemde object is gelegen, waarbij een waterbassin, een watersilo, een warmwateropslagtank en het open erf niet als een zodanig onderdeel worden beschouwd;
aa. na 30 april 1996 en het glastuinbouwbedrijf is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie II, of
bb. voor 1 mei 1996 en het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, is gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 10 meter van een object categorie II, of het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, na 1 oktober 2009 komt te liggen op een afstand van minder dan 50 meter van enig object categorie I dan wel tot minder dan 25 meter van enig object categorie II,
1°. gedeputeerde staten het inrichting-bevoegd gezag voor zijn;
2°. een of meer installaties aanwezig zijn voor het verstoken of verbranden van andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, gasolie of biodiesel, die voldoen aan NEN-EN 14.214, met een individueel nominaal vermogen van meer dan 20 kilowatt;
3°. een andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas dan wel in een combinatie van deze brandstoffen wordt gestookt ten behoeve van een warmtekrachtinstallatie;
4°. een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd vermogen van 15 MW of meer;
5°. activiteiten of handelingen plaatsvinden, als bedoeld in categorie 21 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht;
6°. in een specifieke daartoe ingerichte ruimte behandeling voor derden van bloembollen of knollen met gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt;
7°. kunstmeststoffen worden opgeslagen behorende tot groep 3 of groep 4 als bedoeld in PGS 7 of meer dan 50 ton kunstmeststoffen behorende tot groep 2 wordt opgeslagen als bedoeld in PGS 7;
8°. verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde kunstmeststoffen, worden opgeslagen in een opslagvoorziening met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kilogram;
9°. windenergie in elektrische energie wordt omgezet met één of meer windturbines, tenzij: aa. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast,
bb. windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor,
cc. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige bestemming, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en
dd. de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW;
aa. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast,
bb. windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor,
cc. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige bestemming, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en
dd. de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW;
10°. vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in tanks worden opgeslagen, tenzij sprake is van: a. opslaan van vloeibare brandstoffen, biodiesel of afgewerkte olie in ondergrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
b. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
c. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 15 kubieke meter,
d. opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in bovengrondse tanks;
e. opslaan van petroleum in een of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 1,5 kubieke meter;
a. opslaan van vloeibare brandstoffen, biodiesel of afgewerkte olie in ondergrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
b. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
c. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 15 kubieke meter,
d. opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in bovengrondse tanks;
e. opslaan van petroleum in een of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 1,5 kubieke meter;
11°. gassen of gasmengsels in tanks worden opgeslagen, tenzij sprake is van de opslag van propaan waarop het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van toepassing is of van de opslag van vloeibare kooldioxide;
12°. aflevering van brandstoffen ten behoeve van tractiedoeleinden plaatsvindt aan motorvoertuigen van derden;
13°. per transportmiddel meer dan één wisselreservoir met een waterinhoud van ten hoogste 150 liter aanwezig is;
14°. bloemen en planten worden geverfd;
15°. vee bedrijfsmatig wordt gehouden;
16°. koel- en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een inhoud per installatie van meer dan 1500 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengels van propaan en butaan;
17°. het Besluit externe veiligheid inrichtingen op van toepassing is;
18°. de oprichting van heeft plaatsgevonden: aa. na 30 april 1996 en het glastuinbouwbedrijf is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie II, of
bb. voor 1 mei 1996 en het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, is gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 10 meter van een object categorie II, of het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, na 1 oktober 2009 komt te liggen op een afstand van minder dan 50 meter van enig object categorie I dan wel tot minder dan 25 meter van enig object categorie II, waarbij geldt dat voor de bepaling van de afstanden wordt gemeten vanaf het onderdeel van het glastuinbouwbedrijf dat het dichtst bij het genoemde object is gelegen, waarbij een waterbassin, een watersilo, een warmwateropslagtank en het open erf niet als een zodanig onderdeel worden beschouwd;
aa. na 30 april 1996 en het glastuinbouwbedrijf is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie II, of
bb. voor 1 mei 1996 en het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, is gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 10 meter van een object categorie II, of het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, na 1 oktober 2009 komt te liggen op een afstand van minder dan 50 meter van enig object categorie I dan wel tot minder dan 25 meter van enig object categorie II,
c. glastuinbouwbedrijf type B: glastuinbouwbedrijf, niet zijnde glastuinbouwbedrijf type A;
d. glastuinbouwactiviteiten: het bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig was onder een permanente opstand van glas of van kunststof telen van gewassen, met uitzondering van eetbare paddestoelen of witlof;
e. lozen type I: het ten gevolge van glastuinbouwactiviteiten of activiteiten die daar direct mee verband houden, lozen op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam van: aa. spuiwater, drainwater, onderscheidenlijk drainagewater, vanaf een perceel dat vóór 1 november 1994 nog niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, of
bb. huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, van meer dan 10 inwonerequivalenten, tenzij de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten, gemeten vanaf de plaats waar dat afvalwater ontstaat, minder bedraagt dan: 1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
aa. spuiwater, drainwater, onderscheidenlijk drainagewater, vanaf een perceel dat vóór 1 november 1994 nog niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, of
bb. huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, van meer dan 10 inwonerequivalenten, tenzij de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten, gemeten vanaf de plaats waar dat afvalwater ontstaat, minder bedraagt dan: 1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
2°. een werk, niet zijnde een voorziening als bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dat is aangesloten op een inrichting, in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam voor het zuiveren van afvalwater;
1°. een oppervlaktewaterlichaam van: aa. spuiwater, drainwater, onderscheidenlijk drainagewater, vanaf een perceel dat vóór 1 november 1994 nog niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, of
bb. huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, van meer dan 10 inwonerequivalenten, tenzij de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten, gemeten vanaf de plaats waar dat afvalwater ontstaat, minder bedraagt dan: 1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
aa. spuiwater, drainwater, onderscheidenlijk drainagewater, vanaf een perceel dat vóór 1 november 1994 nog niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, of
bb. huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, van meer dan 10 inwonerequivalenten, tenzij de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten, gemeten vanaf de plaats waar dat afvalwater ontstaat, minder bedraagt dan: 1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
2°. een werk, niet zijnde een voorziening als bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dat is aangesloten op een inrichting, in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam voor het zuiveren van afvalwater;
f. lozen type II: het lozen ten gevolge van glastuinbouwactiviteiten of daarmee direct verband houdende activiteiten, niet zijnde lozen type I.
a. glastuinbouwbedrijf: een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het onder een permanente opstand van glas of van kunststof telen van gewassen, met uitzondering van een zodanige inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het onder een zodanige opstand telen van eetbare paddestoelen of witlof;
b. glastuinbouwbedrijf type A: glastuinbouwbedrijf, waar: 1°. gedeputeerde staten het inrichting-bevoegd gezag voor zijn;
2°. een of meer installaties aanwezig zijn voor het verstoken of verbranden van andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, gasolie of biodiesel, die voldoen aan NEN-EN 14.214, met een individueel nominaal vermogen van meer dan 20 kilowatt;
3°. een andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas dan wel in een combinatie van deze brandstoffen wordt gestookt ten behoeve van een warmtekrachtinstallatie;
4°. een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd vermogen van 15 MW of meer;
5°. activiteiten of handelingen plaatsvinden, als bedoeld in categorie 21 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht;
6°. in een specifieke daartoe ingerichte ruimte behandeling voor derden van bloembollen of knollen met gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt;
7°. kunstmeststoffen worden opgeslagen behorende tot groep 3 of groep 4 als bedoeld in PGS 7 of meer dan 50 ton kunstmeststoffen behorende tot groep 2 wordt opgeslagen als bedoeld in PGS 7;
8°. verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde kunstmeststoffen, worden opgeslagen in een opslagvoorziening met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kilogram;
9°. windenergie in elektrische energie wordt omgezet met één of meer windturbines, tenzij: aa. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast,
bb. windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor,
cc. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige bestemming, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en
dd. de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW;
aa. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast,
bb. windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor,
cc. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige bestemming, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en
dd. de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW;
10°. vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in tanks worden opgeslagen, tenzij sprake is van: a. opslaan van vloeibare brandstoffen, biodiesel of afgewerkte olie in ondergrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
b. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
c. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 15 kubieke meter,
d. opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in bovengrondse tanks;
e. opslaan van petroleum in een of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 1,5 kubieke meter;
a. opslaan van vloeibare brandstoffen, biodiesel of afgewerkte olie in ondergrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
b. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
c. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 15 kubieke meter,
d. opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in bovengrondse tanks;
e. opslaan van petroleum in een of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 1,5 kubieke meter;
11°. gassen of gasmengsels in tanks worden opgeslagen, tenzij sprake is van de opslag van propaan waarop het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van toepassing is of van de opslag van vloeibare kooldioxide;
12°. aflevering van brandstoffen ten behoeve van tractiedoeleinden plaatsvindt aan motorvoertuigen van derden;
13°. per transportmiddel meer dan één wisselreservoir met een waterinhoud van ten hoogste 150 liter aanwezig is;
14°. bloemen en planten worden geverfd;
15°. vee bedrijfsmatig wordt gehouden;
16°. koel- en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een inhoud per installatie van meer dan 1500 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengels van propaan en butaan;
17°. het Besluit externe veiligheid inrichtingen op van toepassing is;
18°. de oprichting van heeft plaatsgevonden: aa. na 30 april 1996 en het glastuinbouwbedrijf is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie II, of
bb. voor 1 mei 1996 en het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, is gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 10 meter van een object categorie II, of het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, na 1 oktober 2009 komt te liggen op een afstand van minder dan 50 meter van enig object categorie I dan wel tot minder dan 25 meter van enig object categorie II, waarbij geldt dat voor de bepaling van de afstanden wordt gemeten vanaf het onderdeel van het glastuinbouwbedrijf dat het dichtst bij het genoemde object is gelegen, waarbij een waterbassin, een watersilo, een warmwateropslagtank en het open erf niet als een zodanig onderdeel worden beschouwd;
aa. na 30 april 1996 en het glastuinbouwbedrijf is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie II, of
bb. voor 1 mei 1996 en het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, is gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 10 meter van een object categorie II, of het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, na 1 oktober 2009 komt te liggen op een afstand van minder dan 50 meter van enig object categorie I dan wel tot minder dan 25 meter van enig object categorie II,
1°. gedeputeerde staten het inrichting-bevoegd gezag voor zijn;
2°. een of meer installaties aanwezig zijn voor het verstoken of verbranden van andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, gasolie of biodiesel, die voldoen aan NEN-EN 14.214, met een individueel nominaal vermogen van meer dan 20 kilowatt;
3°. een andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas dan wel in een combinatie van deze brandstoffen wordt gestookt ten behoeve van een warmtekrachtinstallatie;
4°. een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd vermogen van 15 MW of meer;
5°. activiteiten of handelingen plaatsvinden, als bedoeld in categorie 21 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht;
6°. in een specifieke daartoe ingerichte ruimte behandeling voor derden van bloembollen of knollen met gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt;
7°. kunstmeststoffen worden opgeslagen behorende tot groep 3 of groep 4 als bedoeld in PGS 7 of meer dan 50 ton kunstmeststoffen behorende tot groep 2 wordt opgeslagen als bedoeld in PGS 7;
8°. verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde kunstmeststoffen, worden opgeslagen in een opslagvoorziening met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kilogram;
9°. windenergie in elektrische energie wordt omgezet met één of meer windturbines, tenzij: aa. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast,
bb. windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor,
cc. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige bestemming, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en
dd. de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW;
aa. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast,
bb. windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor,
cc. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige bestemming, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en
dd. de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW;
10°. vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in tanks worden opgeslagen, tenzij sprake is van: a. opslaan van vloeibare brandstoffen, biodiesel of afgewerkte olie in ondergrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
b. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
c. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 15 kubieke meter,
d. opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in bovengrondse tanks;
e. opslaan van petroleum in een of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 1,5 kubieke meter;
a. opslaan van vloeibare brandstoffen, biodiesel of afgewerkte olie in ondergrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
b. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 kubieke meter,
c. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie, biodiesel of afgewerkte olie in bovengrondse tanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 15 kubieke meter,
d. opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in bovengrondse tanks;
e. opslaan van petroleum in een of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 1,5 kubieke meter;
11°. gassen of gasmengsels in tanks worden opgeslagen, tenzij sprake is van de opslag van propaan waarop het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van toepassing is of van de opslag van vloeibare kooldioxide;
12°. aflevering van brandstoffen ten behoeve van tractiedoeleinden plaatsvindt aan motorvoertuigen van derden;
13°. per transportmiddel meer dan één wisselreservoir met een waterinhoud van ten hoogste 150 liter aanwezig is;
14°. bloemen en planten worden geverfd;
15°. vee bedrijfsmatig wordt gehouden;
16°. koel- en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een inhoud per installatie van meer dan 1500 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengels van propaan en butaan;
17°. het Besluit externe veiligheid inrichtingen op van toepassing is;
18°. de oprichting van heeft plaatsgevonden: aa. na 30 april 1996 en het glastuinbouwbedrijf is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie II, of
bb. voor 1 mei 1996 en het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, is gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 10 meter van een object categorie II, of het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, na 1 oktober 2009 komt te liggen op een afstand van minder dan 50 meter van enig object categorie I dan wel tot minder dan 25 meter van enig object categorie II, waarbij geldt dat voor de bepaling van de afstanden wordt gemeten vanaf het onderdeel van het glastuinbouwbedrijf dat het dichtst bij het genoemde object is gelegen, waarbij een waterbassin, een watersilo, een warmwateropslagtank en het open erf niet als een zodanig onderdeel worden beschouwd;
aa. na 30 april 1996 en het glastuinbouwbedrijf is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie II, of
bb. voor 1 mei 1996 en het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, is gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 10 meter van een object categorie II, of het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, na 1 oktober 2009 komt te liggen op een afstand van minder dan 50 meter van enig object categorie I dan wel tot minder dan 25 meter van enig object categorie II,
c. glastuinbouwbedrijf type B: glastuinbouwbedrijf, niet zijnde glastuinbouwbedrijf type A;
d. glastuinbouwactiviteiten: het bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig was onder een permanente opstand van glas of van kunststof telen van gewassen, met uitzondering van eetbare paddestoelen of witlof;
e. lozen type I: het ten gevolge van glastuinbouwactiviteiten of activiteiten die daar direct mee verband houden, lozen op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam van: aa. spuiwater, drainwater, onderscheidenlijk drainagewater, vanaf een perceel dat vóór 1 november 1994 nog niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, of
bb. huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, van meer dan 10 inwonerequivalenten, tenzij de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten, gemeten vanaf de plaats waar dat afvalwater ontstaat, minder bedraagt dan: 1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
aa. spuiwater, drainwater, onderscheidenlijk drainagewater, vanaf een perceel dat vóór 1 november 1994 nog niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, of
bb. huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, van meer dan 10 inwonerequivalenten, tenzij de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten, gemeten vanaf de plaats waar dat afvalwater ontstaat, minder bedraagt dan: 1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
2°. een werk, niet zijnde een voorziening als bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dat is aangesloten op een inrichting, in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam voor het zuiveren van afvalwater;
1°. een oppervlaktewaterlichaam van: aa. spuiwater, drainwater, onderscheidenlijk drainagewater, vanaf een perceel dat vóór 1 november 1994 nog niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, of
bb. huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, van meer dan 10 inwonerequivalenten, tenzij de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten, gemeten vanaf de plaats waar dat afvalwater ontstaat, minder bedraagt dan: 1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
aa. spuiwater, drainwater, onderscheidenlijk drainagewater, vanaf een perceel dat vóór 1 november 1994 nog niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, of
bb. huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, van meer dan 10 inwonerequivalenten, tenzij de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten, gemeten vanaf de plaats waar dat afvalwater ontstaat, minder bedraagt dan: 1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
1°. 100 meter bij 11 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 meter bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 meter bij 50 tot 100 inwonerequivalenten,
4°. 3000 meter bij 100 inwonerequivalenten of meer doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
2°. een werk, niet zijnde een voorziening als bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dat is aangesloten op een inrichting, in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam voor het zuiveren van afvalwater;
f. lozen type II: het lozen ten gevolge van glastuinbouwactiviteiten of daarmee direct verband houdende activiteiten, niet zijnde lozen type I.