BWBR0013413
Geldig vanaf 2005-06-17
Artikel 5
Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen 2000 - 2006
1. De subsidie bedraagt, behoudens het tweede en derde lid, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag, zoals bedoeld in de verordening (EG) nr. 448/2004van de Commissie van 10 maart 2004 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1685/2000tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1260/1999van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven voor door structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1145/2003(PbEG L 72), alsmede de verordening (EG) nr. 1685/2000van de Commissie van 28 juli 2000 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1260/1999van de Raad met betrekking tot de subsidiabilliteit van de uitgaven voor door de structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen (PbEG L 193).
2. Indien het aantal deelnemers dat blijkens de deelnemersadministratie bij de start van het project is geregistreerd, lager is dan het in de subsidieaanvraag geschatte aantal deelnemers aan het project, wordt de subsidie naar rato verlaagd.
3. Indien ten aanzien van minder dan 60% van het bij de start van het project geregistreerde aantal deelnemers de beoogde prestaties van het project, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, zijn gerealiseerd, wordt het bedrag, berekend op grond van het eerste lid, verlaagd met onderstaand percentage indien en voor zover de subsidiabele kosten van het project niet met tenminste een zelfde percentage zijn gedaald ten opzichte van de begrote kosten:
a. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 50% of meer maar minder dan 60% van de deelnemers: met 10%;
b. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 40% of meer maar minder dan 50% van de deelnemers: met 20%;
c. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 30% of meer maar minder dan 40% van de deelnemers: met 30%;
d. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 20% of meer maar minder dan 30% van de deelnemers: met 50%;
e. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 10% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 70%;
f. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van minder dan 10% van de deelnemers: met 100%.
4. Indien ten aanzien van minder dan 60% van het bij de start van het project geregistreerde aantal deelnemers de beoogde prestaties van het project, als bedoeld in artikel 4, derde lid, zijn gerealiseerd, wordt het bedrag, berekend op grond van het eerste lid, verlaagd met onderstaand percentage indien en voor zover de subsidiabele kosten van het project niet met tenminste een zelfde percentage zijn gedaald ten opzichte van de begrote kosten:
a. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 40% of meer maar minder dan 50% van de deelnemers: met 10%;
b. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 30% of meer maar minder dan 40% van de deelnemers: met 20%;
c. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 20% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 30%;
d. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 10% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 50%;
e. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van minder dan 10% van de deelnemers: met 100%.
5. Indien door omstandigheden van macro-economische aard de beoogde prestaties van een project niet zijn gehaald, kan de minister, na overleg met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, besluiten om het derde of vierde lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten.
2. Indien het aantal deelnemers dat blijkens de deelnemersadministratie bij de start van het project is geregistreerd, lager is dan het in de subsidieaanvraag geschatte aantal deelnemers aan het project, wordt de subsidie naar rato verlaagd.
3. Indien ten aanzien van minder dan 60% van het bij de start van het project geregistreerde aantal deelnemers de beoogde prestaties van het project, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, zijn gerealiseerd, wordt het bedrag, berekend op grond van het eerste lid, verlaagd met onderstaand percentage indien en voor zover de subsidiabele kosten van het project niet met tenminste een zelfde percentage zijn gedaald ten opzichte van de begrote kosten:
a. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 50% of meer maar minder dan 60% van de deelnemers: met 10%;
b. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 40% of meer maar minder dan 50% van de deelnemers: met 20%;
c. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 30% of meer maar minder dan 40% van de deelnemers: met 30%;
d. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 20% of meer maar minder dan 30% van de deelnemers: met 50%;
e. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 10% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 70%;
f. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van minder dan 10% van de deelnemers: met 100%.
4. Indien ten aanzien van minder dan 60% van het bij de start van het project geregistreerde aantal deelnemers de beoogde prestaties van het project, als bedoeld in artikel 4, derde lid, zijn gerealiseerd, wordt het bedrag, berekend op grond van het eerste lid, verlaagd met onderstaand percentage indien en voor zover de subsidiabele kosten van het project niet met tenminste een zelfde percentage zijn gedaald ten opzichte van de begrote kosten:
a. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 40% of meer maar minder dan 50% van de deelnemers: met 10%;
b. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 30% of meer maar minder dan 40% van de deelnemers: met 20%;
c. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 20% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 30%;
d. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 10% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 50%;
e. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van minder dan 10% van de deelnemers: met 100%.
5. Indien door omstandigheden van macro-economische aard de beoogde prestaties van een project niet zijn gehaald, kan de minister, na overleg met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, besluiten om het derde of vierde lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten.