BWBR0013382
Geldig vanaf 2002-02-01
Artikel 5.1
Vaststelling Programma Transportbesparing (3e aanvraagperiode)
Met betrekking tot de beoordeling van haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten adviseert de Commissie Transportpreventie (hierna: de Commissie) de Minister over de aanvragen terzake van de projecten die niet op een van de onder 5 bedoelde gronden zijn afgewezen. De Minister kan de Commissie desgewenst vragen ook op overige zaken betreffende dit programma te adviseren.
De Commissie bestaat, naast de voorzitter, uit twee tot zes personen. De samenstelling is bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2000, 108 en Stcrt. 2001, 51). De voorzitter en de leden zijn voor een termijn van vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
Een lid van de Commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van het advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. Overigens stelt de Commissie haar eigen werkwijze vast. De Minister kan waarnemers aanwijzen die het recht hebben de vergaderingen van de Commissie bij te wonen, en voorziet in het secretariaat van de Commissie.
In afwijking van artikel 8, tweede lid, van de SMEG worden de aanvragen niet behandeld in volgorde van binnenkomst, maar op basis van een tendersysteem. De Commissie toetst de aanvragen die voldoen aan de criteria van de SMEG en van dit programma in eerste instantie aan de innovativiteit van het project:
a. Een project dient een nieuw idee of een nieuwe technologie in het kader van dit programma te omvatten. Dit houdt in dat, indien een soortgelijk project als terzake waarvan reeds eerder subsidie is toegekend, wordt ingediend, dit project niet zal worden gehonoreerd.
b. Daarnaast dient het ook te voldoen aan een algemene innovativiteitseis, in die zin, dat het project betrekking dient te hebben op een voor Nederland technisch of organisatorisch nieuw concept, met als resultaat een besparing op transport.
De aanvragen die voldoen aan de innovativiteitseis worden zodanig gerangschikt dat een project hoger wordt gerangschikt naarmate het meer voldoet aan de volgende criteria:
a. Effect van het project op het milieu. Het betreft de mate waarin een vermindering optreedt van de uitstoot van CO2 en NOx door reductie van tonkilometers als gevolg van het project en de wijze waarop dit aannemelijk wordt gemaakt (meetmethode);
b. De mate van innovativiteit van het project;
c. Slaagkans van het project. Toetsing vindt plaats op de volgende onderdelen: Technische haalbaarheid. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de voorgestelde technologische maatregelen in de ogen van de Commissie haalbaar zijn;
Organisatorische haalbaarheid. Het gaat om de vraag of de aanvrager in staat wordt geacht om het projectvoorstel organisatorisch ten uitvoer te brengen;
Economische haalbaarheid. Het gaat om de vraag of de aanvrager financieel in staat is het project uit te voeren;
Technische haalbaarheid. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de voorgestelde technologische maatregelen in de ogen van de Commissie haalbaar zijn;
Organisatorische haalbaarheid. Het gaat om de vraag of de aanvrager in staat wordt geacht om het projectvoorstel organisatorisch ten uitvoer te brengen;
Economische haalbaarheid. Het gaat om de vraag of de aanvrager financieel in staat is het project uit te voeren;
d. De mate waarin de projectresultaten elders in de markt toegepast kunnen worden. Hierbij gaat het om de representativiteit van het desbetreffende bedrijf of samenwerkingsverband met betrekking tot tonkilometerreductie. Bij het opstellen van de rangschikking wegen alle genoemde criteria even zwaar.
De Commissie brengt advies uit over het geheel van alle door de Minister niet afgewezen aanvragen en adviseert de Minister subsidie te verlenen in volgorde van rangschikking.
De Commissie adviseert negatief over aanvragen die niet voldoen aan de innovativiteitseis. De Minister zal het advies van de Commissie volgen, tenzij hij van mening is dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel in strijd is met de SMEG of dit programma. De Minister zal in de regel dan ook subsidie verlenen, beginnend bij de hoogst gerangschikte aanvraag tot dat het subsidieplafond is bereikt.
De Commissie bestaat, naast de voorzitter, uit twee tot zes personen. De samenstelling is bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2000, 108 en Stcrt. 2001, 51). De voorzitter en de leden zijn voor een termijn van vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
Een lid van de Commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van het advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. Overigens stelt de Commissie haar eigen werkwijze vast. De Minister kan waarnemers aanwijzen die het recht hebben de vergaderingen van de Commissie bij te wonen, en voorziet in het secretariaat van de Commissie.
In afwijking van artikel 8, tweede lid, van de SMEG worden de aanvragen niet behandeld in volgorde van binnenkomst, maar op basis van een tendersysteem. De Commissie toetst de aanvragen die voldoen aan de criteria van de SMEG en van dit programma in eerste instantie aan de innovativiteit van het project:
a. Een project dient een nieuw idee of een nieuwe technologie in het kader van dit programma te omvatten. Dit houdt in dat, indien een soortgelijk project als terzake waarvan reeds eerder subsidie is toegekend, wordt ingediend, dit project niet zal worden gehonoreerd.
b. Daarnaast dient het ook te voldoen aan een algemene innovativiteitseis, in die zin, dat het project betrekking dient te hebben op een voor Nederland technisch of organisatorisch nieuw concept, met als resultaat een besparing op transport.
De aanvragen die voldoen aan de innovativiteitseis worden zodanig gerangschikt dat een project hoger wordt gerangschikt naarmate het meer voldoet aan de volgende criteria:
a. Effect van het project op het milieu. Het betreft de mate waarin een vermindering optreedt van de uitstoot van CO2 en NOx door reductie van tonkilometers als gevolg van het project en de wijze waarop dit aannemelijk wordt gemaakt (meetmethode);
b. De mate van innovativiteit van het project;
c. Slaagkans van het project. Toetsing vindt plaats op de volgende onderdelen: Technische haalbaarheid. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de voorgestelde technologische maatregelen in de ogen van de Commissie haalbaar zijn;
Organisatorische haalbaarheid. Het gaat om de vraag of de aanvrager in staat wordt geacht om het projectvoorstel organisatorisch ten uitvoer te brengen;
Economische haalbaarheid. Het gaat om de vraag of de aanvrager financieel in staat is het project uit te voeren;
Technische haalbaarheid. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de voorgestelde technologische maatregelen in de ogen van de Commissie haalbaar zijn;
Organisatorische haalbaarheid. Het gaat om de vraag of de aanvrager in staat wordt geacht om het projectvoorstel organisatorisch ten uitvoer te brengen;
Economische haalbaarheid. Het gaat om de vraag of de aanvrager financieel in staat is het project uit te voeren;
d. De mate waarin de projectresultaten elders in de markt toegepast kunnen worden. Hierbij gaat het om de representativiteit van het desbetreffende bedrijf of samenwerkingsverband met betrekking tot tonkilometerreductie. Bij het opstellen van de rangschikking wegen alle genoemde criteria even zwaar.
De Commissie brengt advies uit over het geheel van alle door de Minister niet afgewezen aanvragen en adviseert de Minister subsidie te verlenen in volgorde van rangschikking.
De Commissie adviseert negatief over aanvragen die niet voldoen aan de innovativiteitseis. De Minister zal het advies van de Commissie volgen, tenzij hij van mening is dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel in strijd is met de SMEG of dit programma. De Minister zal in de regel dan ook subsidie verlenen, beginnend bij de hoogst gerangschikte aanvraag tot dat het subsidieplafond is bereikt.