BWBR0013366
Geldig vanaf 2002-02-01
Artikel 5
Regeling vaarbevoegdheidsbewijzen zeevaart
Ter vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning legt de aanvrager de volgende bescheiden over aan de Minister van Infrastructuur en Milieu:
a. de in artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met h, genoemde bescheiden;
b. indien het een aanvraag voor vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning als kapitein alle schepen of kleine schepen betreft, het bewijs van schriftelijke toestemming aan de scheepsbeheerder, bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van de Wet, tenzij artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector koopvaardij of artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector zeegaande waterbouw van toepassing is, en
c. het geldige, door een bevoegde autoriteit van de desbetreffende andere staat rechtmatig afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs op grond waarvan een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning wordt verlangd.
a. de in artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met h, genoemde bescheiden;
b. indien het een aanvraag voor vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning als kapitein alle schepen of kleine schepen betreft, het bewijs van schriftelijke toestemming aan de scheepsbeheerder, bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van de Wet, tenzij artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector koopvaardij of artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector zeegaande waterbouw van toepassing is, en
c. het geldige, door een bevoegde autoriteit van de desbetreffende andere staat rechtmatig afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs op grond waarvan een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning wordt verlangd.