BWBR0013366
Geldig vanaf 2002-02-01
Artikel 3
Regeling vaarbevoegdheidsbewijzen zeevaart
1. Ter verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning legt de aanvrager, naast de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met d, en hgenoemde bescheiden, de volgende bescheiden over aan de Minister van Infrastructuur en Milieu:
a. het origineel van het geldige, door een bevoegde autoriteit van de desbetreffende andere staat, naar het oordeel van de Minister van Verkeer en Waterstaat rechtmatig afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs, op grond waarvan het vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning wordt verlangd;
b. indien de aanvraag een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning betreft als: 1º. kapitein, eerste stuurman of hoofdwerktuigkundige;
2º. schipper zeevisvaart of plaatsvervangend schipper zeevisvaart; het originele kennisbewijs betreffende de opleidingsmodule Nederlandse wetgeving, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het Besluit;
1º. kapitein, eerste stuurman of hoofdwerktuigkundige;
2º. schipper zeevisvaart of plaatsvervangend schipper zeevisvaart; het originele kennisbewijs betreffende de opleidingsmodule Nederlandse wetgeving, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het Besluit;
c. een bewijs van nationaliteit van de aanvrager, en
d. indien het een aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning als kapitein betreft, het bewijs van schriftelijke toestemming aan de scheepsbeheerder, bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van de Wet, tenzij artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector koopvaardij of artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector zeegaande waterbouw van toepassing is.
2. Een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning heeft een geldigheidsduur die gelijk is aan die van het door een bevoegde autoriteit afgegeven oorspronkelijke vaarbevoegdheidsbewijs, doch niet langer dan vijf jaar.
a. het origineel van het geldige, door een bevoegde autoriteit van de desbetreffende andere staat, naar het oordeel van de Minister van Verkeer en Waterstaat rechtmatig afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs, op grond waarvan het vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning wordt verlangd;
b. indien de aanvraag een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning betreft als: 1º. kapitein, eerste stuurman of hoofdwerktuigkundige;
2º. schipper zeevisvaart of plaatsvervangend schipper zeevisvaart; het originele kennisbewijs betreffende de opleidingsmodule Nederlandse wetgeving, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het Besluit;
1º. kapitein, eerste stuurman of hoofdwerktuigkundige;
2º. schipper zeevisvaart of plaatsvervangend schipper zeevisvaart; het originele kennisbewijs betreffende de opleidingsmodule Nederlandse wetgeving, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het Besluit;
c. een bewijs van nationaliteit van de aanvrager, en
d. indien het een aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning als kapitein betreft, het bewijs van schriftelijke toestemming aan de scheepsbeheerder, bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van de Wet, tenzij artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector koopvaardij of artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector zeegaande waterbouw van toepassing is.
2. Een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning heeft een geldigheidsduur die gelijk is aan die van het door een bevoegde autoriteit afgegeven oorspronkelijke vaarbevoegdheidsbewijs, doch niet langer dan vijf jaar.