BWBR0013230
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 3
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar SVB 2002
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten, strafbaar gesteld
a. bij of krachtens de wetten waarvan de uitvoering bij of krachtens de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is opgedragen aan de SVB;
b. in de artikelen 177, 177a, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 189, 225, 226, 227, 227a, 227b, 231, 266, 321, 322, 326, 362, 363, 416, 417bis, 435, vierde lid, 447b, 447c en 447d van het Wetboek van Strafrecht, voor zover dit feit van belang is voor de toepassing van wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, met de uitvoering waarvan de SVB krachtens de wet is belast, dan wel voor de uitvoering van andere taken, voor het verrichten waarvan de SVB krachtens de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen de goedkeuring heeft gekregen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.
a. bij of krachtens de wetten waarvan de uitvoering bij of krachtens de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is opgedragen aan de SVB;
b. in de artikelen 177, 177a, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 189, 225, 226, 227, 227a, 227b, 231, 266, 321, 322, 326, 362, 363, 416, 417bis, 435, vierde lid, 447b, 447c en 447d van het Wetboek van Strafrecht, voor zover dit feit van belang is voor de toepassing van wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, met de uitvoering waarvan de SVB krachtens de wet is belast, dan wel voor de uitvoering van andere taken, voor het verrichten waarvan de SVB krachtens de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen de goedkeuring heeft gekregen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.