Aan de buitengewoon opsporingsambtenaar, genoemd in artikel 3, eerste lid, wordt ontheffing verleend van het bepaalde in
artikel 16, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, onder de navolgende voorwaarden:
a. hij moet met goed gevolg een basisopleiding voor opsporingsambtenaar SVB hebben voltooid;
b. de onder a. bedoelde basisopleiding omvat ten minste de eindtermen zoals vastgesteld bij circulaire van de minister van Justitie van 10 augustus 2000, kenmerk 5045239/500/CBK, en de verschillende onderdelen van die basisopleiding worden afgesloten met een toets;
c. de onder b. bedoelde toetsing van de buitengewoon opsporingsambtenaar geschiedt door een onafhankelijke examencommissie waarin een lid van het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd;
d. door middel van een systeem van periodieke toetsing of bijscholing wordt gewaarborgd dat van de buitengewoon opsporingsambtenaar het verworven kennisniveau blijft gehandhaafd.