1. Aan de inspecteur-generaal en de plaatsvervangend inspecteur-generaal wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten en het vaststellen en ondertekenen van stukken terzake van de aan de minister respectievelijk de staatssecretaris toekomende bevoegdheden krachtens de
Wet milieubeheer, de
Waterleidingwet, de
Woningwet, de
Huisvestingswet, de
Huursubsidieweten de
Wet op de Ruimtelijke ordening.
2. Aan de inspecteur-generaal en de plaatsvervangend inspecteur-generaal wordt tevens mandaat verleend tot het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten, als bedoeld in het eerste lid, en het vaststellen en ondertekenen van alle op die beslissing betrekking hebbende stukken.