BWBR0012908
Geldig vanaf 2001-10-27
Artikel 8
Beleidsregels opgravingsbevoegdheid
Aan een vergunning worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:
a. het archeologische onderzoek wordt uitgevoerd volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen;
b. indien de vergunninghouder het feitelijk verrichten van de opgraving door een derde laat uitvoeren, waarborgt de vergunninghouder dat die derde daartoe aantoonbaar in staat is en dat aannemelijk is dat die derde deskundig is terzake van het desbetreffende uit te voeren archeologische onderzoek. Het onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig het programma van eisen, bestek of plan van aanpak. De vergunninghouder ziet erop toe dat de betreffende derde het archeologische onderzoek uitvoert volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen;
c. de vergunninghouder zendt uiterlijk twee weken na beëindiging van de opgraving een door de ROB vastgesteld formulier volledig ingevuld aan de ROB ter zake van de eerste bevindingen van de opgraving. Binnen een redelijke termijn doch uiterlijk binnen twee jaar na beëindiging van een opgraving zendt de vergunninghouder aan de ROB een standaardrapport van de betreffende opgraving. Dit rapport geeft inzicht in het doel en de bevindingen van het onderzoek. Het standaardrapport voldoet aan de binnen de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen;
d. de vergunninghouder zorgt ervoor, dat de vondsten op adequate wijze worden geconserveerd en gedocumenteerd. Uiterlijk vier weken na inzending van het standaardrapport, bedoeld onder c, draagt de vergunninghouder de geconserveerde vondsten en de daarbij behorende documentatie terzake van de betreffende opgraving over aan het daarvoor in aanmerking komende depot voor bodemvondsten.
a. het archeologische onderzoek wordt uitgevoerd volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen;
b. indien de vergunninghouder het feitelijk verrichten van de opgraving door een derde laat uitvoeren, waarborgt de vergunninghouder dat die derde daartoe aantoonbaar in staat is en dat aannemelijk is dat die derde deskundig is terzake van het desbetreffende uit te voeren archeologische onderzoek. Het onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig het programma van eisen, bestek of plan van aanpak. De vergunninghouder ziet erop toe dat de betreffende derde het archeologische onderzoek uitvoert volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen;
c. de vergunninghouder zendt uiterlijk twee weken na beëindiging van de opgraving een door de ROB vastgesteld formulier volledig ingevuld aan de ROB ter zake van de eerste bevindingen van de opgraving. Binnen een redelijke termijn doch uiterlijk binnen twee jaar na beëindiging van een opgraving zendt de vergunninghouder aan de ROB een standaardrapport van de betreffende opgraving. Dit rapport geeft inzicht in het doel en de bevindingen van het onderzoek. Het standaardrapport voldoet aan de binnen de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen;
d. de vergunninghouder zorgt ervoor, dat de vondsten op adequate wijze worden geconserveerd en gedocumenteerd. Uiterlijk vier weken na inzending van het standaardrapport, bedoeld onder c, draagt de vergunninghouder de geconserveerde vondsten en de daarbij behorende documentatie terzake van de betreffende opgraving over aan het daarvoor in aanmerking komende depot voor bodemvondsten.