BWBR0012908
Geldig vanaf 2001-10-27
Artikel 4
Beleidsregels opgravingsbevoegdheid
De minister verleent een vergunning aan een gemeente, indien deze gemeente aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. de gemeente beschikt over een eigen archeologische dienst met een formatieve omvang, die is berekend op het te verwachten werkaanbod, met dien verstande dat deze uit ten minste twee formatieplaatsen bestaat. Ten minste één formatieplaats wordt ingenomen door een universitair afgestudeerd archeoloog met deskundigheid op het gebied van de West-Europese archeologie. Deze archeoloog heeft de nodige relevante werkervaring opgedaan;
b. de onder a bedoelde dienst is in staat tot het doen van archeologisch onderzoek, waartoe de volgende voorzieningen zijn gerealiseerd: 1°. de archeologische dienst beschikt over adequate middelen en voorzieningen om het archeologisch onderzoek te kunnen uitvoeren;
2°. de gemeente neemt in de begroting jaarlijks een bedrag voor de archeologische monumentenzorg op, dat in verhouding staat tot de archeologische noden in de gemeente en waaruit de vaste kosten van de eigen archeologische dienst alsmede een werkbudget kunnen worden betaald;
c. de gemeente heeft een door de gemeenteraad vastgesteld beleidsplan voor archeologische monumentenzorg. In het beleidsplan wordt in elk geval ingegaan op de wijze waarop in ruimtelijke en andere plannen de archeologische waarden worden meegewogen; en d. de gemeente beschikt over een depot voor bodemvondsten als bedoeld in artikel 44 van de Monumentenwet 1988, of beschikt op andere wijze over opslagcapaciteit bij een zodanig depot.
1°. de archeologische dienst beschikt over adequate middelen en voorzieningen om het archeologisch onderzoek te kunnen uitvoeren;
2°. de gemeente neemt in de begroting jaarlijks een bedrag voor de archeologische monumentenzorg op, dat in verhouding staat tot de archeologische noden in de gemeente en waaruit de vaste kosten van de eigen archeologische dienst alsmede een werkbudget kunnen worden betaald;
c. de gemeente heeft een door de gemeenteraad vastgesteld beleidsplan voor archeologische monumentenzorg. In het beleidsplan wordt in elk geval ingegaan op de wijze waarop in ruimtelijke en andere plannen de archeologische waarden worden meegewogen; en
d. de gemeente beschikt over een depot voor bodemvondsten als bedoeld in artikel 44 van de Monumentenwet 1988, of beschikt op andere wijze over opslagcapaciteit bij een zodanig depot.
a. de gemeente beschikt over een eigen archeologische dienst met een formatieve omvang, die is berekend op het te verwachten werkaanbod, met dien verstande dat deze uit ten minste twee formatieplaatsen bestaat. Ten minste één formatieplaats wordt ingenomen door een universitair afgestudeerd archeoloog met deskundigheid op het gebied van de West-Europese archeologie. Deze archeoloog heeft de nodige relevante werkervaring opgedaan;
b. de onder a bedoelde dienst is in staat tot het doen van archeologisch onderzoek, waartoe de volgende voorzieningen zijn gerealiseerd: 1°. de archeologische dienst beschikt over adequate middelen en voorzieningen om het archeologisch onderzoek te kunnen uitvoeren;
2°. de gemeente neemt in de begroting jaarlijks een bedrag voor de archeologische monumentenzorg op, dat in verhouding staat tot de archeologische noden in de gemeente en waaruit de vaste kosten van de eigen archeologische dienst alsmede een werkbudget kunnen worden betaald;
c. de gemeente heeft een door de gemeenteraad vastgesteld beleidsplan voor archeologische monumentenzorg. In het beleidsplan wordt in elk geval ingegaan op de wijze waarop in ruimtelijke en andere plannen de archeologische waarden worden meegewogen; en d. de gemeente beschikt over een depot voor bodemvondsten als bedoeld in artikel 44 van de Monumentenwet 1988, of beschikt op andere wijze over opslagcapaciteit bij een zodanig depot.
1°. de archeologische dienst beschikt over adequate middelen en voorzieningen om het archeologisch onderzoek te kunnen uitvoeren;
2°. de gemeente neemt in de begroting jaarlijks een bedrag voor de archeologische monumentenzorg op, dat in verhouding staat tot de archeologische noden in de gemeente en waaruit de vaste kosten van de eigen archeologische dienst alsmede een werkbudget kunnen worden betaald;
c. de gemeente heeft een door de gemeenteraad vastgesteld beleidsplan voor archeologische monumentenzorg. In het beleidsplan wordt in elk geval ingegaan op de wijze waarop in ruimtelijke en andere plannen de archeologische waarden worden meegewogen; en
d. de gemeente beschikt over een depot voor bodemvondsten als bedoeld in artikel 44 van de Monumentenwet 1988, of beschikt op andere wijze over opslagcapaciteit bij een zodanig depot.