BWBR0012908
Geldig vanaf 2001-10-27
Artikel 5
Beleidsregels opgravingsbevoegdheid
1. De minister verleent in afwijking van artikel 4 een vergunning aan een gemeente die niet beschikt over een eigen archeologische dienst, indien:
a. de gemeente tezamen met één of meer andere gemeenten een archeologische dienst in stand houdt, die werkzaam is voor alle samenwerkende gemeenten;
b. de samenwerkende gemeenten voorzien in een structurele beschikbaarheid van capaciteit van de onder a bedoelde archeologische dienst ten behoeve van de aanvrager. Deze capaciteit is in overeenstemming met het te verwachten werkaanbod;
c. de formatieve omvang van de onder a bedoelde archeologische dienst is berekend op het totale werkaanbod en tenminste van een omvang is als bedoeld in artikel 4, onder a.
2. De voorwaarden, genoemd in artikel 4, b tot en met d, zijn op de vergunningverlening van overeenkomstige toepassing.
a. de gemeente tezamen met één of meer andere gemeenten een archeologische dienst in stand houdt, die werkzaam is voor alle samenwerkende gemeenten;
b. de samenwerkende gemeenten voorzien in een structurele beschikbaarheid van capaciteit van de onder a bedoelde archeologische dienst ten behoeve van de aanvrager. Deze capaciteit is in overeenstemming met het te verwachten werkaanbod;
c. de formatieve omvang van de onder a bedoelde archeologische dienst is berekend op het totale werkaanbod en tenminste van een omvang is als bedoeld in artikel 4, onder a.
2. De voorwaarden, genoemd in artikel 4, b tot en met d, zijn op de vergunningverlening van overeenkomstige toepassing.