BWBR0012811
Geldig vanaf 2020-12-06
Artikel 15a
Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001
1. Met betrekking tot de aanspraak op verstrekking van een reisdocument van een in Nederland geboren kind, dat de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en van wie ieder van de ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen dan wel van wie de ouder die alleen het gezag uitoefent, beschikt over een verblijfsrecht ingevolge artikel 28of 33 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel ingevolge artikel 12a van de Wet toelating en uitzetting BES, wordt op voorhand aangenomen dat ingevolge artikel 40, vijfde en zesde lid, van de wet, door de Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken is vastgesteld dat aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 14 van de wetis voldaan.
2. De vaststelling van de aanspraak op verstrekking van het reisdocument dat ingevolge het eerste lid wordt aangevraagd, geschiedt aan de hand van het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument, waaruit diens verblijfsrecht ingevolge artikel 14of 20 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel ingevolge de Wet toelating en uitzetting BES, en diens nationaliteit blijkt, alsmede op grond van de gegevens die over het verblijfsrecht en de nationaliteit van de aanvrager in de basisadministratie zijn opgenomen.
3. Indien de in de basisadministratie, dan wel in het aanvraag-informatieformulier opgenomen gegevens afwijken van de gegevens die zijn vermeld in het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument dan wel anderszins onzekerheid bestaat over deze gegevens, wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld waarbij de gegevens die over het verblijfsrecht en de nationaliteit dan wel staatloosheid van de aanvrager in de vreemdelingenadministratie zijn opgenomen, mede worden betrokken.
2. De vaststelling van de aanspraak op verstrekking van het reisdocument dat ingevolge het eerste lid wordt aangevraagd, geschiedt aan de hand van het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument, waaruit diens verblijfsrecht ingevolge artikel 14of 20 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel ingevolge de Wet toelating en uitzetting BES, en diens nationaliteit blijkt, alsmede op grond van de gegevens die over het verblijfsrecht en de nationaliteit van de aanvrager in de basisadministratie zijn opgenomen.
3. Indien de in de basisadministratie, dan wel in het aanvraag-informatieformulier opgenomen gegevens afwijken van de gegevens die zijn vermeld in het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument dan wel anderszins onzekerheid bestaat over deze gegevens, wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld waarbij de gegevens die over het verblijfsrecht en de nationaliteit dan wel staatloosheid van de aanvrager in de vreemdelingenadministratie zijn opgenomen, mede worden betrokken.