BWBR0012666
Geldig vanaf 19-07-2001
Artikel 8
Meetregeling luchtkwaliteit
Monsterneming bij de in de artikelen 6 en 7 bedoelde meetpunten gebeurt zodanig dat:
a. de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen en er geen voorwerpen zijn die de luchtstroom in de omgeving van de monsternemer beïnvloeden;
b. de hoogte van de inlaatbuis tussen 1,5 en 4 meter boven de grond ligt;
c. de inlaatbuizen niet te dicht in de omgeving van bronnen zijn gesitueerd om te voorkomen dat de uitstoot daarvan rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt;
d. de uitlaatbuizen op een zodanige plaats zijn gesitueerd dat de lucht daaruit niet opnieuw in de inlaatbuis kan komen.
a. de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen en er geen voorwerpen zijn die de luchtstroom in de omgeving van de monsternemer beïnvloeden;
b. de hoogte van de inlaatbuis tussen 1,5 en 4 meter boven de grond ligt;
c. de inlaatbuizen niet te dicht in de omgeving van bronnen zijn gesitueerd om te voorkomen dat de uitstoot daarvan rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt;
d. de uitlaatbuizen op een zodanige plaats zijn gesitueerd dat de lucht daaruit niet opnieuw in de inlaatbuis kan komen.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0012666
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl