BWBR0012624
Geldig vanaf 2001-07-05
Artikel 10
Verspreidingsregeling vernieuwing landelijk gebied
1. De minister beoordeelt:
a. of en zo ja, in welke mate de projecten of projectonderdelen voldoen aan de criteria, gesteld in artikel 2;
b. in welke mate de projecten of projectonderdelen voldoen aan de door de minister vastgestelde afwegingscriteria, bedoeld in artikel 3, vierde lid, en;
c. in welke mate de aanvrager zelf bijdraagt aan de financiering van het project of projectonderdeel.
2. De minister kan een aanvraag tot subsidieverlening voor een project of projectonderdeel dat naar zijn oordeel niet of niet geheel voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 2, geheel of gedeeltelijk afwijzen.
3. De minister stelt een rangschikking van de aanvragen op, waarbij aanvragen:
a. hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de minister meer voldoen aan de door de minister ingevolge artikel 3, vierde lid, vastgestelde afwegingscriteria, en;
b. vervolgens hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de minister meer voldoen aan de criteria, gesteld in artikel 2, en;
c. vervolgens hoger worden gerangschikt naarmate de financiële bijdrage van de aanvrager aan het project of projectonderdeel, dat voor subsidie in aanmerking komt hoger is in vergelijking met de subsidiabele kosten.
a. of en zo ja, in welke mate de projecten of projectonderdelen voldoen aan de criteria, gesteld in artikel 2;
b. in welke mate de projecten of projectonderdelen voldoen aan de door de minister vastgestelde afwegingscriteria, bedoeld in artikel 3, vierde lid, en;
c. in welke mate de aanvrager zelf bijdraagt aan de financiering van het project of projectonderdeel.
2. De minister kan een aanvraag tot subsidieverlening voor een project of projectonderdeel dat naar zijn oordeel niet of niet geheel voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 2, geheel of gedeeltelijk afwijzen.
3. De minister stelt een rangschikking van de aanvragen op, waarbij aanvragen:
a. hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de minister meer voldoen aan de door de minister ingevolge artikel 3, vierde lid, vastgestelde afwegingscriteria, en;
b. vervolgens hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de minister meer voldoen aan de criteria, gesteld in artikel 2, en;
c. vervolgens hoger worden gerangschikt naarmate de financiële bijdrage van de aanvrager aan het project of projectonderdeel, dat voor subsidie in aanmerking komt hoger is in vergelijking met de subsidiabele kosten.