BWBR0012463
Geldig vanaf 2003-06-06
Artikel 7a
Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998
1. Op verzoek van een afnemer, leverancier of handelaar of diens gemachtigde boekt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet groencertificaten op een bij het verzoek aangegeven groencertificatenrekening, indien die afnemer, leverancier, handelaar of gemachtigde bij het verzoek de meetgegevens alsmede gegevens omtrent de categorie productie-installatie overlegt met betrekking tot duurzame elektriciteit die uit een ander land afkomstig is en die op het Nederlandse net is ingevoed, mits de betrouwbaarheid van die gegevens is gewaarborgd.
2. De betrouwbaarheid van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, is gewaarborgd, indien de gegevens zijn verkregen van een of meer in het desbetreffende land tot afgeven van die gegevens bevoegde instanties. Een instantie wordt aangemerkt als bevoegde instantie, indien zij onafhankelijk is van producenten en leveranciers van elektriciteit en zij in het land van vestiging bevoegd is tot het meten van de opwekking of de afname van elektriciteit.
3. De Minister van Economische Zaken stelt een lijst op van bevoegde instanties, waarop in ieder geval zijn opgenomen die instanties die voor het afgegeven van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, zijn aangewezen of erkend door de overheid van het land van vestiging, door de Raad voor Accreditatie of in het kader van de organisatie ‘Renewable energy certificate system’. Indien een instantie niet op de lijst is opgenomen, kan degene die het in het eerste lid bedoelde verzoek doet de Minister van Economische Zaken verzoeken de instantie op de lijst te plaatsen. De Minister van Economische Zaken plaatst een instantie op de lijst, indien die instantie voldoet aan de vereisten, genoemd in het tweede lid, tweede volzin.
4. De afnemer, leverancier, handelaar of diens gemachtigde doet het verzoek, bedoeld in het eerste lid, binnen een maand na verkrijging van de gegevens, bedoeld in dat lid.
5. Bij zijn verzoek verklaart de afnemer, leverancier, handelaar of diens gemachtigde dat de duurzame elektriciteit waarvoor overeenkomstig het eerste lid boeking van groencertificaten wordt verzocht, niet in het land van productie of in andere landen op enigerlei wijze als duurzame elektriciteit is verkocht of daarvoor een vergoeding is ontvangen.
6. De artikelen 6a tot en met 7zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van duurzame elektriciteit, afkomstig uit een ander land dan Nederland, met inachtneming van het achtste lid en met dien verstande dat:
a. onder ‘producent’ in de artikelen 6a tot en met 7 mede verstaan wordt: afnemer, leverancier, handelaar of diens gemachtigde;
b. onder ‘verzocht op grond van artikel 6, derde lid’ in de artikelen 6a tot en met 7 mede verstaan wordt: verzocht op grond van artikel 7a, eerste lid;
c. voor de toepassing van het begrip naar haar aard zuivere biomassa met de NTA 8003 wordt gelijkgesteld een norm die toepasselijk in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die ten minste een gelijk beschermingsniveau biedt.
7. De elektriciteit is op het Nederlandse net ingevoed, indien de afnemer, leverancier, handelaar of gemachtigde bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, aangeeft dat hij voldoende transportcapaciteit op het landsgrensoverschrijdende net heeft verkregen om de duurzame elektriciteit waarop het groencertificaat betrekking heeft, te transporteren naar Nederland. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet gaat na of de transportcapaciteit gebruikt is om de desbetreffende hoeveelheid elektriciteit naar Nederland te transporteren.
8. De Minister van Economische Zaken stelt ten aanzien van duurzame elektriciteit opgewekt met behulp van biomassa, afkomstig uit een ander land dan Nederland, voor de toepassing van de artikelen 6aen 7een lijst op van instanties, die onafhankelijk zijn van producenten en leveranciers van elektriciteit en in het land van vestiging bevoegd zijn met behulp van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering vast te stellen of het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt, is aan te merken als zuivere biomassa, dan wel wat het biologisch afbreekbare gedeelte is van de niet-zuivere biomassa waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt. Indien een instantie niet op de lijst is opgenomen, kan degene die het in het eerste lid bedoelde verzoek doet de Minister van Economische Zaken verzoeken de instantie op de lijst te plaatsen. De Minister van Economische Zaken plaatst een instantie op de lijst, indien die instantie voldoet aan de vereisten, genoemd in de eerste volzin.
2. De betrouwbaarheid van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, is gewaarborgd, indien de gegevens zijn verkregen van een of meer in het desbetreffende land tot afgeven van die gegevens bevoegde instanties. Een instantie wordt aangemerkt als bevoegde instantie, indien zij onafhankelijk is van producenten en leveranciers van elektriciteit en zij in het land van vestiging bevoegd is tot het meten van de opwekking of de afname van elektriciteit.
3. De Minister van Economische Zaken stelt een lijst op van bevoegde instanties, waarop in ieder geval zijn opgenomen die instanties die voor het afgegeven van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, zijn aangewezen of erkend door de overheid van het land van vestiging, door de Raad voor Accreditatie of in het kader van de organisatie ‘Renewable energy certificate system’. Indien een instantie niet op de lijst is opgenomen, kan degene die het in het eerste lid bedoelde verzoek doet de Minister van Economische Zaken verzoeken de instantie op de lijst te plaatsen. De Minister van Economische Zaken plaatst een instantie op de lijst, indien die instantie voldoet aan de vereisten, genoemd in het tweede lid, tweede volzin.
4. De afnemer, leverancier, handelaar of diens gemachtigde doet het verzoek, bedoeld in het eerste lid, binnen een maand na verkrijging van de gegevens, bedoeld in dat lid.
5. Bij zijn verzoek verklaart de afnemer, leverancier, handelaar of diens gemachtigde dat de duurzame elektriciteit waarvoor overeenkomstig het eerste lid boeking van groencertificaten wordt verzocht, niet in het land van productie of in andere landen op enigerlei wijze als duurzame elektriciteit is verkocht of daarvoor een vergoeding is ontvangen.
6. De artikelen 6a tot en met 7zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van duurzame elektriciteit, afkomstig uit een ander land dan Nederland, met inachtneming van het achtste lid en met dien verstande dat:
a. onder ‘producent’ in de artikelen 6a tot en met 7 mede verstaan wordt: afnemer, leverancier, handelaar of diens gemachtigde;
b. onder ‘verzocht op grond van artikel 6, derde lid’ in de artikelen 6a tot en met 7 mede verstaan wordt: verzocht op grond van artikel 7a, eerste lid;
c. voor de toepassing van het begrip naar haar aard zuivere biomassa met de NTA 8003 wordt gelijkgesteld een norm die toepasselijk in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die ten minste een gelijk beschermingsniveau biedt.
7. De elektriciteit is op het Nederlandse net ingevoed, indien de afnemer, leverancier, handelaar of gemachtigde bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, aangeeft dat hij voldoende transportcapaciteit op het landsgrensoverschrijdende net heeft verkregen om de duurzame elektriciteit waarop het groencertificaat betrekking heeft, te transporteren naar Nederland. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet gaat na of de transportcapaciteit gebruikt is om de desbetreffende hoeveelheid elektriciteit naar Nederland te transporteren.
8. De Minister van Economische Zaken stelt ten aanzien van duurzame elektriciteit opgewekt met behulp van biomassa, afkomstig uit een ander land dan Nederland, voor de toepassing van de artikelen 6aen 7een lijst op van instanties, die onafhankelijk zijn van producenten en leveranciers van elektriciteit en in het land van vestiging bevoegd zijn met behulp van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering vast te stellen of het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt, is aan te merken als zuivere biomassa, dan wel wat het biologisch afbreekbare gedeelte is van de niet-zuivere biomassa waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt. Indien een instantie niet op de lijst is opgenomen, kan degene die het in het eerste lid bedoelde verzoek doet de Minister van Economische Zaken verzoeken de instantie op de lijst te plaatsen. De Minister van Economische Zaken plaatst een instantie op de lijst, indien die instantie voldoet aan de vereisten, genoemd in de eerste volzin.