BWBR0012463
Geldig vanaf 2003-06-06
Artikel 7
Regeling groencertificaten Elektriciteitswet 1998
1. De producent die met behulp van naar haar aard zuivere biomassa duurzame elektriciteit opwekt en op het net invoedt, draagt er zorg voor dat een daartoe bevoegde instantie ten minste een keer per kalenderjaar een steekproef uitvoert met behulp van een daartoe geëigende methode waarbij zonodig aan de hand van bemonstering wordt vastgesteld of het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt, is aan te merken als naar haar aard zuivere biomassa en wat de aard en de verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen zijn.
2. De producent die met behulp van naar zijn aard zuiver biogas duurzame elektriciteit opwekt en op het net invoedt, draagt er zorg voor dat een daartoe bevoegde instantie ten minste een keer per twee kalenderjaren een steekproef uitvoert met behulp van een daartoe geëigende methode waarbij zonodig aan de hand van bemonstering wordt vastgesteld of het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt, is aan te merken als naar zijn aard zuiver biogas en wat de aard en de verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen zijn.
3. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet bepaalt de tijdstippen waarop de in de vorige twee leden bedoelde steekproeven worden uitgevoerd en deelt deze tijdig aan de producent of zijn gemachtigde mee.
4. Bevoegde instanties als bedoeld in het eerste en tweede lid zijn de instanties die vermeld zijn op een door de Minister van Economische Zaken op te stellen lijst van instanties, die onafhankelijk zijn van producenten van elektriciteit en die naar zijn oordeel in staat zijn de steekproeven, bedoeld in het eerste en tweede lid, uit te voeren. Indien een instantie niet op de lijst is opgenomen, kan degene die het in artikel 6, derde lid, bedoelde verzoek doet de Minister van Economische Zaken verzoeken de instantie op de lijst te plaatsen. De Minister van Economische Zaken plaatst een instantie op de lijst, indien die instantie voldoet aan de vereisten, genoemd in de eerste volzin.
5. De instantie brengt de kosten van de steekproef in rekening bij de producent en deelt het resultaat van de steekproef ten hoogste vier weken na het moment waarop de monsterneming in het kader van de steekproef heeft plaatsgevonden mee aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en aan de producent of zijn gemachtigde.
6. Indien geen steekproef wordt uitgevoerd op het tijdstip, bedoeld in het derde lid, dan wel indien uit de steekproef blijkt dat de biomassa niet aangemerkt kan worden als naar haar aard zuivere biomassa of naar zijn aard zuiver biogas, wordt de elektriciteit, opgewekt in de periode waarop de op het moment van uitvoering van de steekproef geldende verklaring, bedoeld in de artikelen 6a, eerste en zesde lid, en 6b, betrekking heeft, aangemerkt als niet-duurzaam. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet boekt ten onrechte geboekte groencertificaten af van de groencertificatenrekening van de desbetreffende producent.
7. Indien zich een geval voordoet als bedoeld in het vorige lid, is vanaf het moment waarop het resultaat van de steekproef op grond van het vijfde lid is meegedeeld aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en aan de producent of zijn gemachtigde artikel 6avan toepassing ten aanzien van de desbetreffende producent.
8. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet meldt de toepasselijkheid van het zesde en zevende lid aan de desbetreffende producent of zijn gemachtigde en aan de Belastingdienst.
2. De producent die met behulp van naar zijn aard zuiver biogas duurzame elektriciteit opwekt en op het net invoedt, draagt er zorg voor dat een daartoe bevoegde instantie ten minste een keer per twee kalenderjaren een steekproef uitvoert met behulp van een daartoe geëigende methode waarbij zonodig aan de hand van bemonstering wordt vastgesteld of het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit wordt opgewekt, is aan te merken als naar zijn aard zuiver biogas en wat de aard en de verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen zijn.
3. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet bepaalt de tijdstippen waarop de in de vorige twee leden bedoelde steekproeven worden uitgevoerd en deelt deze tijdig aan de producent of zijn gemachtigde mee.
4. Bevoegde instanties als bedoeld in het eerste en tweede lid zijn de instanties die vermeld zijn op een door de Minister van Economische Zaken op te stellen lijst van instanties, die onafhankelijk zijn van producenten van elektriciteit en die naar zijn oordeel in staat zijn de steekproeven, bedoeld in het eerste en tweede lid, uit te voeren. Indien een instantie niet op de lijst is opgenomen, kan degene die het in artikel 6, derde lid, bedoelde verzoek doet de Minister van Economische Zaken verzoeken de instantie op de lijst te plaatsen. De Minister van Economische Zaken plaatst een instantie op de lijst, indien die instantie voldoet aan de vereisten, genoemd in de eerste volzin.
5. De instantie brengt de kosten van de steekproef in rekening bij de producent en deelt het resultaat van de steekproef ten hoogste vier weken na het moment waarop de monsterneming in het kader van de steekproef heeft plaatsgevonden mee aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en aan de producent of zijn gemachtigde.
6. Indien geen steekproef wordt uitgevoerd op het tijdstip, bedoeld in het derde lid, dan wel indien uit de steekproef blijkt dat de biomassa niet aangemerkt kan worden als naar haar aard zuivere biomassa of naar zijn aard zuiver biogas, wordt de elektriciteit, opgewekt in de periode waarop de op het moment van uitvoering van de steekproef geldende verklaring, bedoeld in de artikelen 6a, eerste en zesde lid, en 6b, betrekking heeft, aangemerkt als niet-duurzaam. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet boekt ten onrechte geboekte groencertificaten af van de groencertificatenrekening van de desbetreffende producent.
7. Indien zich een geval voordoet als bedoeld in het vorige lid, is vanaf het moment waarop het resultaat van de steekproef op grond van het vijfde lid is meegedeeld aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en aan de producent of zijn gemachtigde artikel 6avan toepassing ten aanzien van de desbetreffende producent.
8. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet meldt de toepasselijkheid van het zesde en zevende lid aan de desbetreffende producent of zijn gemachtigde en aan de Belastingdienst.