BWBR0012103
Geldig vanaf 2016-07-13
Artikel 4
Regeling bijzondere ontslaguitkering politie
1. De hoogte van de uitkering is gedurende de eerste zestig maanden 80%, van de bezoldiging vermeerderd met zoveel - ten hoogste tien - keer 0,5% van de bezoldiging als het totaal aantal volle voor pensioen geldige dienstjaren, die meetellen voor de pensioenberekening krachtens het pensioenreglement, op de dag van ingang van het ontslag meer dan dertig bedraagt, en vervolgens 70% van de bezoldiging.
2. Het bedrag van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, daalt niet beneden het bedrag van het pensioen, waarop de betrokkene recht zou hebben, indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op de uitkering is ontslagen, op de dag van ontslag zou zijn gepensioneerd.
3. Bij de berekening van het bedrag van het pensioen, bedoeld in het tweede lid, wordt mede in aanmerking genomen de diensttijd, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van het pensioenreglement, die de betrokkene bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.
4. Onder diensttijd, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan:
a. voor zover gelegen vóór 1 januari 1996: de tijd, die voor betrokkene per 31 december 1995 meetelt voor de pensioenberekening, bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet zoals deze luidde op 31 december 1995;
b. voor zover gelegen op of na 1 januari 1996: de tijd gedurende welke betrokkene overheidswerknemer is in de zin van de Wet privatisering ABP.
5. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de eventuele diensttijd, bedoeld in artikel D1, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals deze luidde op 31 december 1995, in aanmerking genomen. Het verzoek, bedoeld in artikel D2 van die wet wordt daarbij geacht te zijn gedaan.
2. Het bedrag van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, daalt niet beneden het bedrag van het pensioen, waarop de betrokkene recht zou hebben, indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op de uitkering is ontslagen, op de dag van ontslag zou zijn gepensioneerd.
3. Bij de berekening van het bedrag van het pensioen, bedoeld in het tweede lid, wordt mede in aanmerking genomen de diensttijd, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van het pensioenreglement, die de betrokkene bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.
4. Onder diensttijd, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan:
a. voor zover gelegen vóór 1 januari 1996: de tijd, die voor betrokkene per 31 december 1995 meetelt voor de pensioenberekening, bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet zoals deze luidde op 31 december 1995;
b. voor zover gelegen op of na 1 januari 1996: de tijd gedurende welke betrokkene overheidswerknemer is in de zin van de Wet privatisering ABP.
5. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de eventuele diensttijd, bedoeld in artikel D1, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals deze luidde op 31 december 1995, in aanmerking genomen. Het verzoek, bedoeld in artikel D2 van die wet wordt daarbij geacht te zijn gedaan.