BWBR0012031
Geldig vanaf 2012-12-21
Artikel 45a
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
1. Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wetbedoelde maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt, wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel 27, paragraaf 1, van het in artikel 9.2, negende lid, onderdeel a, van de wetgenoemde verdrag wordt aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringendat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn geweest indien hij de in artikel 27, paragraaf 1, van dat verdrag bedoelde beloningen uit Nederland zou hebben verkregen, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet, van de gecombineerde heffingskorting waarop zijn partner recht zou hebben gehad, indien hij bedoelde beloningen daadwerkelijk uit Nederland zou hebben verkregen en Nederland daarover belasting en premie zou hebben geheven.
2. Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wetbedoelde maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt, wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel XII van het protocol bij het in artikel 9.2, negende lid, onderdeel b, van de wetgenoemde verdrag wordt aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringendat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn geweest indien hij de in artikel XII van dat protocol bedoelde beloningen uit Nederland zou hebben verkregen, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet, van de gecombineerde heffingskorting waarop zijn partner recht zou hebben gehad, indien hij bedoelde beloningen daadwerkelijk uit Nederland zou hebben verkregen en Nederland daarover belasting en premie zou hebben geheven.
3. Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wetbedoelde maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt, wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel 27, paragraaf 2, van het in het eerste lid bedoelde verdrag wordt aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting dat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn geweest indien de in artikel 27, paragraaf 2, van dat verdrag bedoelde beloningen uitsluitend in Nederland zouden zijn belast, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet, van de gecombineerde heffingskorting, waarop zijn partner recht zou hebben gehad indien uitsluitend in Nederland over de bedoelde beloningen belasting zou zijn geheven.
4. De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde verminderingen zijn niet van toepassing voorzover de partner van de belastingplichtige:
a. uit hoofde van hoofdstuk 8 van de wet recht heeft op verhoging van de gecombineerde heffingskorting; of
b. recht zou hebben gehad op de gecombineerde heffingskorting als bedoeld in hoofdstuk 8 van de wet indien beloningen die hij heeft genoten krachtens regelen als bedoeld in hoofdstuk VII van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet zouden zijn vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting of premie voor de volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen.
2. Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wetbedoelde maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt, wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel XII van het protocol bij het in artikel 9.2, negende lid, onderdeel b, van de wetgenoemde verdrag wordt aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringendat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn geweest indien hij de in artikel XII van dat protocol bedoelde beloningen uit Nederland zou hebben verkregen, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet, van de gecombineerde heffingskorting waarop zijn partner recht zou hebben gehad, indien hij bedoelde beloningen daadwerkelijk uit Nederland zou hebben verkregen en Nederland daarover belasting en premie zou hebben geheven.
3. Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wetbedoelde maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt, wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel 27, paragraaf 2, van het in het eerste lid bedoelde verdrag wordt aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting dat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn geweest indien de in artikel 27, paragraaf 2, van dat verdrag bedoelde beloningen uitsluitend in Nederland zouden zijn belast, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet, van de gecombineerde heffingskorting, waarop zijn partner recht zou hebben gehad indien uitsluitend in Nederland over de bedoelde beloningen belasting zou zijn geheven.
4. De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde verminderingen zijn niet van toepassing voorzover de partner van de belastingplichtige:
a. uit hoofde van hoofdstuk 8 van de wet recht heeft op verhoging van de gecombineerde heffingskorting; of
b. recht zou hebben gehad op de gecombineerde heffingskorting als bedoeld in hoofdstuk 8 van de wet indien beloningen die hij heeft genoten krachtens regelen als bedoeld in hoofdstuk VII van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet zouden zijn vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting of premie voor de volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen.