BWBR0012031
Geldig vanaf 2012-12-21
Artikel 29
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
1. Een verzoek om aanwijzing als fonds wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur onder overlegging van:
a. de statuten van het fonds, dan wel productvoorwaarden als sprake is van een onderdeel van een bank;
b. een afschrift van de inschrijving van het fonds, dan wel van de bank als het fonds een onderdeel is van die bank in het register, bedoeld in artikel 1:107 van de Wet op het financieel toezicht, dan wel, ingeval artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, van die wet van toepassing is, een afschrift van de in dat lid bedoelde bankgarantie van het fonds, dan wel van de bank als het fonds een onderdeel is van die bank; en
c. een opgave van de feitelijke werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden van het fonds.
2. Bij een verzoek om aanwijzing als fonds met een ingroeiperiode worden tevens overgelegd:
a. een ingroeiplan op grond waarvan het aannemelijk is dat binnen drie maanden na de aanwijzing ten minste 30 percent van het vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat uit kredieten ten behoeve van projecten;
b. een ingroeischema op grond waarvan het aannemelijk is dat uiterlijk twee jaren na de aanwijzing ten minste 70 percent van het vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat uit kredieten ten behoeve van projecten.
3. De inspecteur beslist op het verzoek tot aanwijzing bij voor bezwaar vatbare beschikking.
4. De aanwijzing vindt plaats met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend, dan wel met ingang van een latere datum indien daarom is verzocht.
5. De inspecteur maakt het aanwijzen als een fonds op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Indien de inspecteur een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
a. de statuten van het fonds, dan wel productvoorwaarden als sprake is van een onderdeel van een bank;
b. een afschrift van de inschrijving van het fonds, dan wel van de bank als het fonds een onderdeel is van die bank in het register, bedoeld in artikel 1:107 van de Wet op het financieel toezicht, dan wel, ingeval artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, van die wet van toepassing is, een afschrift van de in dat lid bedoelde bankgarantie van het fonds, dan wel van de bank als het fonds een onderdeel is van die bank; en
c. een opgave van de feitelijke werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden van het fonds.
2. Bij een verzoek om aanwijzing als fonds met een ingroeiperiode worden tevens overgelegd:
a. een ingroeiplan op grond waarvan het aannemelijk is dat binnen drie maanden na de aanwijzing ten minste 30 percent van het vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat uit kredieten ten behoeve van projecten;
b. een ingroeischema op grond waarvan het aannemelijk is dat uiterlijk twee jaren na de aanwijzing ten minste 70 percent van het vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat uit kredieten ten behoeve van projecten.
3. De inspecteur beslist op het verzoek tot aanwijzing bij voor bezwaar vatbare beschikking.
4. De aanwijzing vindt plaats met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend, dan wel met ingang van een latere datum indien daarom is verzocht.
5. De inspecteur maakt het aanwijzen als een fonds op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Indien de inspecteur een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.