BWBR0011789
Geldig vanaf 2000-12-01
Artikel 3
Invoeringswet Wet stedelijke vernieuwing
1. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0011788/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, eerste lid onderscheidenlijk derde lid, eerste volzin, van de Wet stedelijke vernieuwing</a>geldt voor het investeringstijdvak 2000 tot en met 2004 dat Onze Minister, onderscheidenlijk gedeputeerde staten, uiterlijk vier weken na de inwerkingtreding van deze wet inzicht geeft, onderscheidenlijk geven, in de hoogte van het investeringsbudget, onderscheidenlijk de verdeling van de middelen voor investeringsbudget. Indien vóór de dag waarop deze wet in werking treedt, het in de eerste volzin bedoelde inzicht is gegeven, wordt dat inzicht aangemerkt als te zijn gegeven ingevolge <a href="/wet/BWBR0011788/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 van de Wet stedelijke vernieuwing</a>, uitgezonderd de gevallen waarin ingevolge die wet een ander inzicht dient te worden gegeven.
2. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0011788/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, derde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing</a>geldt voor het investeringstijdvak 2000 tot en met 2004, dat gedeputeerde staten uiterlijk vier weken na de inwerkingtreding van deze wet gemeenten aanwijzen waarvan naar hun oordeel een ontwikkelingsprogramma wordt verlangd. Indien vóór de inwerkingtreding van deze wet de in de eerste volzin bedoelde aanwijzing is gegeven, wordt die aanwijzing aangemerkt als te zijn gegeven ingevolge <a href="/wet/BWBR0011788/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, derde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing</a>, uitgezonderd de gevallen waarin ingevolge die wet een andere aanwijzing dient te worden gegeven.
2. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0011788/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, derde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing</a>geldt voor het investeringstijdvak 2000 tot en met 2004, dat gedeputeerde staten uiterlijk vier weken na de inwerkingtreding van deze wet gemeenten aanwijzen waarvan naar hun oordeel een ontwikkelingsprogramma wordt verlangd. Indien vóór de inwerkingtreding van deze wet de in de eerste volzin bedoelde aanwijzing is gegeven, wordt die aanwijzing aangemerkt als te zijn gegeven ingevolge <a href="/wet/BWBR0011788/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, derde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing</a>, uitgezonderd de gevallen waarin ingevolge die wet een andere aanwijzing dient te worden gegeven.