BWBR0011746
Geldig vanaf 2000-11-01
Artikel 3
Besluit BOA Dienst Ondersteunende Taken van het GVB Amsterdam 2000
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a) Hoofdstuk II, paragraaf 5 van de Wet personenvervoer; Hoofdstuk 6 van het Besluit personenvervoer; het Metroreglement; het Tramwegreglement;
b) de Algemene Plaatselijke Verordening en/of andere verordeningen van de gemeenten vallende binnen het vervoersgebied van het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam, indien en voor zover het artikelen/bepalingen daaruit betreft, waarvoor betrokkene door het bevoegd bestuursorgaan is aangewezen;
c) de artikelen 141, 180, 184, 285, 300, 310, 311, 350, 424, 425, 435, onder ten vierde, van het Wetboek van Strafrecht;
d) andere wetten/strafbare feiten, indien en voor zover de buitengewoon opsporingsambtenaar in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie daarmee is belast, voor de duur van dat onderzoek;
e) de buitengewoon opsporingsambtenaar is tevens bevoegd de in artikel 61c van het Wetboek van Strafvordering en de in artikel 435f van het Wetboek van Strafrecht genoemde bevoegheden uit te oefenen.
2.a. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied, waarop het Gemeentevervoersbedrijf Amsterdam, in dienst waarvan de buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam is, vervoer verricht of lijnverbindingen exploiteert;
2.b. De uitoefening van de aan de buitengewoon opsporingsambtenaar op grond van dit besluit toegekende bevoegdheid, beperkt zich tot bussen, pontveren, trams, metrotreinen en in en om daarbij behorende stations en haltes binnen het onder 2.a beschreven opsporingsgebied;
2.c. Van de krachtens dit besluit verleende bevoegdheden wordt uitsluitend gebruik gemaakt tijdens de uren dat betrokkene daadwerkelijk in de onderhavige functie werkzaam is en overeenkomstig de bevelen door het Openbaar Ministerie gegeven.
a) Hoofdstuk II, paragraaf 5 van de Wet personenvervoer; Hoofdstuk 6 van het Besluit personenvervoer; het Metroreglement; het Tramwegreglement;
b) de Algemene Plaatselijke Verordening en/of andere verordeningen van de gemeenten vallende binnen het vervoersgebied van het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam, indien en voor zover het artikelen/bepalingen daaruit betreft, waarvoor betrokkene door het bevoegd bestuursorgaan is aangewezen;
c) de artikelen 141, 180, 184, 285, 300, 310, 311, 350, 424, 425, 435, onder ten vierde, van het Wetboek van Strafrecht;
d) andere wetten/strafbare feiten, indien en voor zover de buitengewoon opsporingsambtenaar in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie daarmee is belast, voor de duur van dat onderzoek;
e) de buitengewoon opsporingsambtenaar is tevens bevoegd de in artikel 61c van het Wetboek van Strafvordering en de in artikel 435f van het Wetboek van Strafrecht genoemde bevoegheden uit te oefenen.
2.a. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied, waarop het Gemeentevervoersbedrijf Amsterdam, in dienst waarvan de buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam is, vervoer verricht of lijnverbindingen exploiteert;
2.b. De uitoefening van de aan de buitengewoon opsporingsambtenaar op grond van dit besluit toegekende bevoegdheid, beperkt zich tot bussen, pontveren, trams, metrotreinen en in en om daarbij behorende stations en haltes binnen het onder 2.a beschreven opsporingsgebied;
2.c. Van de krachtens dit besluit verleende bevoegdheden wordt uitsluitend gebruik gemaakt tijdens de uren dat betrokkene daadwerkelijk in de onderhavige functie werkzaam is en overeenkomstig de bevelen door het Openbaar Ministerie gegeven.