BWBR0011679
Geldig vanaf 2000-12-01
Artikel 4
Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 2000
1. De opneming van een buitenlands kind dat op het tijdstip van binnenkomst in Nederland de leeftijd van zes jaar of ouder zal hebben bereikt, kan worden toegestaan, indien:
a. het de opneming betreft van een oudere broer of zus van een reeds ter adoptie opgenomen buitenlands kind;
b. het de opneming betreft van twee of meer buitenlandse kinderen als bedoeld in artikel 1, onder b.
2. In alle gevallen, genoemd in het eerste lid, dient uit onderzoek verricht door de raad voor de kinderbescherming de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders voor de verzorging en opvoeding van een kind of kinderen als daar bedoeld aannemelijk te zijn geworden.
Voorts dient in de gevallen, genoemd in het eerste lid onder a., uit dat onderzoek te zijn gebleken dat de opneming van het buitenlandse kind niet in strijd is met het belang van het reeds in het gezin verblijvende buitenlandse kind.
a. het de opneming betreft van een oudere broer of zus van een reeds ter adoptie opgenomen buitenlands kind;
b. het de opneming betreft van twee of meer buitenlandse kinderen als bedoeld in artikel 1, onder b.
2. In alle gevallen, genoemd in het eerste lid, dient uit onderzoek verricht door de raad voor de kinderbescherming de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders voor de verzorging en opvoeding van een kind of kinderen als daar bedoeld aannemelijk te zijn geworden.
Voorts dient in de gevallen, genoemd in het eerste lid onder a., uit dat onderzoek te zijn gebleken dat de opneming van het buitenlandse kind niet in strijd is met het belang van het reeds in het gezin verblijvende buitenlandse kind.